Overwegingen

WEES BARMHARTIG ZOALS OOK UW VADER BARMHARTIG IS

Mooi verhaal heb ik het altijd gevonden. Dat David zijn vijand koning Saul heel gemakkelijk had kunnen doden en het toch niet deed. In plaats daarvan nam hij stilletjes de lans en de waterkruik weg van het hoofdeinde van de slapende Saul. Een ongelofelijk moedige actie van David  en zijn mannen. Eenmaal op veilige afstand roept hij Saul toe: “Koning, weet u wel, dat ik u had kunnen doden? Zoals ik dat ook al eens eerder had gekund. Toen had ik de slip van uw mantel afgesneden, terwijl u niet in de gaten had dat u bespied werd.”

De schrijver van het boek Samuel, die dit verhaal optekent, geeft zijn volk en ook ons een boodschap mee. Neem niet direct wraak als je je miskend voelt of onterecht behandeld bent.

Sinds de jaren ’70 hebben we steeds gehoord, dat we ons niet de kaas van het brood moeten laten eten, dat we voor onszelf moeten opkomen. Zó worden kinderen ook vaak opgevoed. Van de ene kant is dat natuurlijk goed, maar het resultaat kan ook zijn, dat iemand om het minste of geringste dat hem niet aanstaat meteen agressief gaat reageren. Hoe vaak gebeurt dat niet in het verkeer? Hoe vaak wordt er ook in het uitgaansleven niet meteen een klap uitgedeeld of erger als iemand zich beledigd voelt door een opmerking van de ander.

Het verhaal van David staat daar wel háaks op, en trouwens ook de toespraak van Jezus in het evangelie. “Heb je vijanden lief” zegt Jezus, “wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken en bid voor wie jullie bedreigen”. En ook: “Als iemand wegneemt wat u toebehoort eis het niet terug”. Het zal je anders maar gebeuren, dat je op de fiets zit en een snelle scooter je tas uit de fietstas weggrist. Of iemand die er met jouw fiets vandoor gaat, terwijl jij even in de winkel bent voor een boodschap. Je kunt dan ontzettend kwaad worden. Als je zo iemand zou kunnen achterhalen, zou je natuurlijk in je woede het gestolene onmiddellijk terugeisen en niet zeggen “Nou ja, je mag het wel houden”.

Als Jezus in zijn toespraak zegt: “Slaat iemand jou op je wang, bied hem ook de andere wang aan; pakt iemand jouw jas af, geef hem ook je hemd”, dan zijn dat voorbeelden die soms tegen je menselijke gevoel in gaan. Maar zo’n voorbeeld is niet direct bedoeld als een bevel of een onmogelijke eis.

Het is eerder een manier om anders te leren kijken , om wegen te wijzen om de kring te doorbreken van haat tegen haat, van geweld tegen geweld, en van gelijk tegenover gelijk. Hoe reageren we op de omstandigheden. Kunnen we er zó mee omgaan, dat we niet in onze woede blijven steken en er nog lange tijd gefrustreerd door zijn. Iemand moet beginnen die dodelijke cirkel te doorbreken. Kunnen we creatief zijn in het goede?

Een bekende van mij is erg gesteld op de H. Franciscus, de 13e eeuwse heilige, die met zijn broeders het leven deelde van de armsten. Partijganger van de armen wordt hij genoemd. Het verhaal gaat, dat hij eens bestolen werd van het weinige geld dat hij bij elkaar gebedeld had. Zijn reactie was niet boosheid, maar, zo zei hij, de man zal het geld wel nodig hebben gehad. Toen mijn kennis eens in de stad van zijn fiets beroofd was, werd hij in eerste instantie ontzettend kwaad. Logisch toch? Maar toen dacht hij aan Franciscus en hij zei bij zichzelf: “Och, de dief zal mijn fiets wel nodig gehad hebben” en zijn kwaadheid verdween. Ik vind het wel heel knap en verrassend als je zo kunt reageren. Ik denk, dat ik het in zo’n geval niet zou kunnen. Maar het zet me wel aan tot denken en het is goed iets van deze houding aan te nemen. Er gebeurt haast elke dag wel iets waar je je aan kunt ergeren en kwaad over kunt maken. Is het niet in je eigen omgeving, dan wel in de politiek. Als je probeert een houding aan te leren van niet altijd op je strepen gaan staan, dan wordt het leven voor de ander, maar ook voor jezelf, een stuk gemakkelijker.

Twee keer zegt Jezus het ons in de lezing van vandaag: “Bemint uw vijanden”. “Doe goed. Oordeel niet, veroordeel niet, maar vergeef.” Niet veroordelen, maar vergeven, kan dat wel altijd? Dezer dagen zijn Paus Franciscus met bisschoppen van heel de wereld in Rome bijeen voor de topconferentie over seksueel misbruik. Je hoort van slachtoffers hoe groot de impact van dat misbruik op hun leven is geweest. Dan mag je niet verwachten, dat zij zomaar kunnen vergeven. Dit kan toch ook niet de bedoeling zijn van Jezus en van Lucas, de schrijver van dit evangelie. We kunnen alleen maar hopen, dat er in Rome bij die conferentie echt stappen worden gezet, dat dit probleem grondig wordt aangepakt, dat er dingen boven tafel worden gehaald, dat slachtoffers worden geholpen met veel zorgvuldigheid en dat er geen feiten onder het tapijt blijven liggen. De kerk zal schoon schip moeten maken, aldus de woorden van Wim Deetman, die in een privé-audiëntie met de paus van gedachten wisselde over het misbruik in de kerk van Rome.

Kunnen wij in onze situatie misschien wel iets met de woorden van Jezus: “Bemint uw vijanden”? In ons dagelijks leven hebben we misschien niet zo gauw te maken met echte vijanden. Maar we komen wel mensen tegen die moeilijk zijn in de omgang. Hoe gaan we om met mensen die heel gauw op hun teentjes getrapt zijn? Met mensen die in hun gedrag zo afwijken van wat wijzelf normaal of goed vinden. Met mensen die misschien door hun ziekte of dementie zich moeilijk gedragen? We komen ze tegen in ons leven, collega’s op het werk, buren misschien, familieleden die altijd moeilijk doen en ja, ook in de kerk kom je ze tegen.

Hoe kijkt Jezus hier tegenaan? Heel bijzonder, radicaal, zou ik willen zeggen. Hij maakt ons duidelijk: aardig en vriendelijk zijn voor familie en vrienden met wie we een goede klik hebben, dat is niet zo moeilijk; dat doen de zondaars ook. Maar mensen die we lastig vinden? Kunnen we die verdragen? Hebben we oog en hart voor hen? We moeten er voor waken, dat ze niet een soort vijanden voor ons worden. We leven samen op één wereld, door God geschapen. We zijn allemaal leden van de menselijke familie, zoals Paus Franciscus het zei. Laten we proberen, voor zover het aan ons ligt, dat die wereld een veilige plek is voor de mensen die we tegenkomen op onze weg. Of, zoals Jezus het zegt: “Wees barmhartig, zoals je Vader barmhartig is”. Doe het goede, soms misschien op een verrassende manier, zoals ook David dat deed, die gemakkelijk de slapende Saul had kunnen doden. Het is een weg van begrip en respect voor elkaar. Al gaat het met vallen en opstaan. Dat is niet erg, want we zijn immers Gods volk onderweg. Daarbij mogen we ons vasthouden aan Jezus, zo zongen we zojuist, de Dienaar die God ons zond,  die met liefde als zijn wapen ons voorgoed aan zich verbond. Amen.

G.Gosen, pw      

 

WEES NIET BANG, IK BEN BIJ JE 

Twee bijbelverhalen hoorden we zojuist. In beide verhalen gaat het over iemand die zich geroepen voelt een boodschap over te brengen aan de mensen van zijn tijd. In het eerste verhaal gaat het over Jeremia, die rond 500 jaar vóór Christus als profeet optrad in Jeruzalem. We hoorden hoe het profeetschap hem overkwam. “Het woord van de Heer kwam tot mij”, zo zegt hij. Hij was er door God voor in de wieg gelegd. Hij zou gehoorzaam zijn en het volk waarschuwen voor de ramp die zich zou gaan voltrekken. Van het begin af aan echter is hij ook bang, hij is nog jong en onervaren en deinst terug voor de gevaren die hem wachten. Maar ook hoort hij Gods stem in het hart: “Laat je niet afschrikken, Jeremia, Ik laat je niet los, Ik ga met je mee”. Zo is hij een ijzeren zuil, een koperen muur.

Ging het ook zo met Jezus? We hoorden zojuist het tweede deel van het verhaal over Jezus’ optreden in de synagoge van Nazareth. Vorige week ging het over de aankondiging van zijn levensprogram. Vandaag horen we hoe zijn dorpsgenoten daarop reageren. Eerst is er enthousiasme, als blijkt, dat een gewone jongen uit hun dorp kan spreken als een profeet: “De Geest des Heren rust op mij. Daartoe ben Ik gezalfd. Ik bevrijd de gevangenen. Ik geef blinden het licht in hun ogen. Ik kondig af een jaar van herstel.”

Maar dan komen er twijfels. Iemand zegt: “Wie denkt hij wel dat hij is? Hij is toch de zoon van Jozef, de timmerman? Zijn moeder Maria ken ik ook, ze is een hele gewone vrouw.” Anderen vinden het vanzelfsprekend, dat Jezus dan ook maar zijn profetische gaven moet gaan gebruiken voor zijn eigen dorp. Jezus voelt dat aan. En Hij reageert: “U zult mij ongetwijfeld het spreekwoord voorhouden: “Dokter, genees jezelf! Doe ook hier in je vaderstad wat naar wij hoorden met Kafarnaüm is gebeurd”. Jezus is het daar niet mee eens. Een profeet moet immers niet beantwoorden aan verwachtingen van mensen, maar gaan naar waar de stem van God hem roept. Hij moet over de grenzen heen kijken en mag zich niet beperken tot eigenbelang. De mensen in Nazareth staan nu niet meer open voor zijn woorden. Als Jezus hun dan ook nog voorhoudt, dat het vroeger ook al zo was, dat profeten als Elia en Elisa ook geen gehoor kregen bij eigen volk, maar wel tekenen konden doen bij heidenen, dan is de boot aan. Het volk wordt zo woedend, dat ze hem in de afgrond willen duwen. Maar, zo schrijft Lucas dan, Jezus gaat midden tussen de mensen door, en vertrekt.

Hij gaat zijn eigen levensweg. In de synagoge heeft hij zojuist gekozen in welke richting Hij zijn leven wil leiden.

Of misschien speelde het allang in zijn hoofd. In ieder geval zal Hij zich gaan inzetten voor de bevrijding van mensen. Dat is zijn keuze.

Een indringend verhaal. Maar wat wil dit verhaal òns eigenlijk zeggen? Welke boodschap geeft Lucas ons mee? Op de eerste plaats wordt duidelijk, dat profeten te maken krijgen met weerstand. Hun boodschap roept vaak irritatie, ja zelfs weerzin op. Maar er is een kracht in hen, die hun doet volhouden ”Wees niet bang. Ik ben bij u’; dat is de stem die ze horen. We zien dat zowel bij Jeremia als bij Jezus.

Zien we dat ook niet bij profeten in onze tijd? Ja, ze zijn er nu ook: de klokkenluiders die misstanden aan het licht brengen, misstanden op het werk en in de maatschappij. Profetische mensen, die stáán voor recht. Ook zij krijgen te maken met onbegrip en vaak verliezen ze ook nog hun baan. Ze worden te lastig gevonden.

En wat te denken van de duizenden jonge scholieren die ook eergisteren weer door de straten van Brussel trokken en demonstreerden voor een beter klimaat en tégen een falende regering, die maar op haar handen blijft zitten, zoals zij zeggen. Het land weigerde immers op de klimaattop in Polen een akkoord te ondertekenen. Niet meer maatregelen dus tegen de opwarming van de aarde. En dan te weten: dit hele scholierenprotest is uiteindelijk begonnen, om van profeten te spreken, met de schoolstaking van één meisje, de 16-jarige Greta Thunberg in Stockholm. In haar dooie eentje zat ze daar voor het parlementsgebouw, met voor zich een kartonnen bord. “Schoolstaking voor het klimaat” stond er op. Ongelooflijk hoe één Zweeds meisje tenslotte veel jongeren inspireerde in Duitsland, België, Zwitserland, Frankrijk en Australië om de straat op te gaan voor het klimaat. Ze trok zelfs zoveel aandacht dat ze in Davos internationale politici moest toespreken.

Ook in deze jongeren is een kracht aanwezig waardoor ze volhouden. Het maakt hun niet uit, dat ze moeten nablijven of strafwerk moeten maken. Ze zijn er van overtuigd, dat er iets moet gebeuren voor het klimaat. “De politieke leiders” zeggen ze “kijken nu alleen maar naar geld en de economie”. En zo maken deze jongeen òns ook weer bewust om kritisch om te gaan met het gebruik van energie, met ons koopgedrag, kortom: dat we proberen duurzaam te leven.

Profetische mensen, ach, we kunnen ze overal tegenkomen. Mensen die ergens voor staan, die in hun woorden en vooral in hun gedrag iets uitstralen dat ons aan het denken zet. Soms is het een woord van je ouders lang geleden, dat in je hele leven met je meegaat en waaraan je je vasthoudt. Soms mogen we ook zelf mensen zijn die een uitgestoken hand bieden aan hen die het zo nodig hebben, mensen die er zijn wanneer iemand b.v. getroffen is door een ongeneeslijke ziekte. Het is in zulke omstandigheden niet gemakkelijk om iemand te bezoeken. Wat kun je zeggen? “Laat je geen angst aanjagen”: woorden uit de eerste lezing. Laten wij bidden, dat wij bevrijd mogen worden van angst wanneer we voor een moeilijke opdracht staan, en vertrouwen hebben in God die zegt: “Wees niet bang, Ik ben bij je”.

Moge het zo zijn.

G.Gosen. pw

 

Openbaring des Heren.

Een van onze dochters woont met haar gezin op een boerderij in Zeewolde in de provincie Flevoland. Zeewolde, gebouwd in de 20″ eeuw na Christus en nu, in de 21e eeuw nog steeds groeiende. ‘n Gloednieuwe stad. Vanuit Hengelo kom je er via de A1, de N 302 en langs Harderwijk. Als je dan via een aquaduct en een viaduct, het Veluwemeer achter je hebt gelaten, beland je in de Flevopolder. Je blik gaat vanzelf naar die grote vlakte, met daarop een niet te tellen aantal windmolens. ‘n Fascinerend gezicht. Al die draaiende wieken, die energie opwekken uit wind; tot nut van de bewoners. Stuk voor stuk passeer je wonderen van technisch vernuft en menselijk brein. Je zou kunnen zeggen; Dankzij technische hoogstandjes, kun je leven onder de zeespiegel. Het laagste punt in Zeewolde ligt bijna 3 meter beneden Amsterdams Peil.

Enige tijd geleden woonde ik daar op de basisschool van de kleinkinderen een toneelstuk bij. D.w.z. de kleuterjuf las de tekst en de kinderen beeldden het verhaal uit .Het ging over 2 kinderen die mochten logeren bij opa en gingen daar met de auto naar toe.De auto werd ook uitgebeeld. 4 kinderen, ieder op en hoek als wiel. Onze kleinzoon, Jos, was het rechtervoorwiel. Voor de auto zat een meisje en zij had de rol van navigatie. Toen de denkbeeldige auto ging rijden, begon haar taak. Ga rechtdoor, sla linksaf, volg de weg. Ga rechtsaf, keer om. Ga terug, ga rechtsaf, Bestemming bereikt. Het was een openbaring te zien, hoe serieus de kinderen in hun rol zaten. Je kunt ook zeggen; de kinderen openbaarden zich als rasechte acteurs. Misschien denkt u nu; Wat moet ik in ‘s hemels naam met dit verhaal. Het gaat om die openbaring; het laten zien van die kinderen en hun talenten. Vandaag het feest van de Openbaring des Heren, waarin Jezus zich aan de mensen laat zien. Als licht voor de mensen wordt Hij zichtbaar. Maria baarde het Goddelijk kind, de hemel brak open en het licht verbrak de duisternis. Eerst het licht van de engelen bij de herders in het veld. Toen het licht van die ster, die de Groten der Aarde van heel ver in beweging bracht. Jezus wordt gezocht en gevonden.

De psalmisten uit de oudheid kondigden al aan; Alle volken der aarde huldigen U o Heer. En in een andere tekst; Alle einden der Aarde aanschouwen het heil van Hem ,onze God.

Na het verhaal van zojuist, maak ik gebruik van de navigatie uÍt Zeewolde en ik voer de laatste opdracht uit. Ga terug, ga terug vanuit de stad uit de 20e eeuw naar die andere plaats uit het jaar 0. Bestemming bereikt bij het Evangelie van Mattheus. Daar komen we de Magiërs, de sterrenkundigen tegen. Zij moeten heel lang onderweg geweest zijn. Er staat nergens wanneer ze elkaar hebben ontmoet en hoe lang ze hebben samen gereisd. Ze hadden geen Tom Tom, geen straatlantaarns en ook geen A.N.W.B borden. Enkel het heldere licht van die ster. Dat teken aan de Hemel was hun houvast op zoek naar die bijzondere koning. Ze kwamen aan bij het paleis van koning Herodes in Jeruzalem. Op de vraag van de vreemdelingen was Herodes verontrust, en zo staat er geschreven; heel Jeruzalem met hem. Herodes laat de Schriftgeleerden de boeken er op na slaan. Staat er ergens iets beschreven over die bijzondere koning? Ja…. Wel degelijk is er iets bekend. Er wordt gesproken over het visioen van de profeet Jesaja. We lazen het in de 1″ lezing. Sta op en laat het licht u beschijnen, Jeruzalem. De duisternis zal plaats maken voor de glorie van de Heer. Met die gegevens kon Herodes niets. Hij geeft opdracht aan de Wijzen het precies uit te zoeken het hem te komen vertellen. Opdat ook ik Hem hulde kan brengen. De Wijzen vonden het Kind en brachten het hulde. Ze knielden neer om Hem te aanbidden en legden hun geschenken neer. We weten allemaal uit de verhalen hoe het afliep.Er verscheen een engel die waarschuwde langs een andere weg terug te keren. Dat gold ook voor Jezus en Maria en Josef. Zij moesten vluchten. De H. Familie op de vlucht om aan de machthebber en het geweld te ontkomen.

Het verhaal, door Mattheus opgeschreven in de 1″ eeuw, wordt vanaf de 14″ eeuw door de gelovigen uitgebeeld in kerststallen. De Magiërs worden afgebeeld als 3 koningen, verschillend van huidskleur. Mensen wilden een tastbaar teken van dit grootse gebeuren.

En dan ben ik, via de 14ê eeuw, weer terug in onze 21e eeuw na Christus. Want zetten wij ook niet elk jaar de kerststal? Kijkt u dan ook echt naar de figuren die het verhaal uitbeelden? Zien we ook echt en wat zegt het u? ln de kribbe ligt het Kindje Jezus. Het strekt zijn armpjes uit. We worden uitgenodigd plaats te nemen bij de groep. We krijgen ook een rol toebedeeld in dat verhaal van Jezus. Dat verhaal van vrede en verlangen naar licht. Ons leven maakt niet alleen deel uit van dat verhaal, maar we zijn dat verhaal. Welke rol we ook hebben, ieder is belangrijk. Er is een hoofdrol en er zíjn bíjrollen. Ook een rol als souffleur. Soms lijkt het of je speelt in een drama. Soms lijkt het een blijspel of een komedie. Je hoort ook wel eens iemand zeggen; Het lijkt wel of ik in een soapserie van de t.v. ben beland. Je kunt twijfelen of je wel geschikt bent voor je rol of je bent bang de tekst kwijt te raken. Dan heb je de souffleur nodig, die je helpt. De ene keer ben jij de souffleur,maar de rollen omgedraaid en dan heb jij juist de hulp nodig.

Na afloop van de voorstelling in Zeewolde, sprak ik met Jos, en ik zei hem, jij had wel een mooie rol zeg. Zo’n rechtervoorwiel is heel belangrijk. Stel je voor dat dat wiel vastloopt, er komt een lekke band, wat moeten die andere wielen dan? Dan kunnen ze toch niets beginnen. Dat was wel duidelijk voor hem en hij beaamde dat met een ernstig gezicht. Je hebt wel iemand nodig. Met hulp van anderen kun je verder. Soms kun je zelf hulp geven, soms heb je een ander nodig. Morgen, als het feest van 3 koningen voorbij is, ruimen we de kerststal weer op. De stenen beelden worden voorzichtig ingepakt en op zolder in het donker weg gezet. Hun rol is even uitgespeeld. Maar wij? De levende beelden uit dat verhaal? Wij zijn niet maar voor even beeld van God, van licht. Aan ons de taak in het licht te blijven. Onze rol is niet voorbij. Hier in deze koepelkerk, is het warm en licht. Na deze viering verlaten we deze koepel en worden gezonden naar buiten, naar die immens grote koepel. Die koepel die alle einden der aarde omspant. Daar moeten we het licht zijn en het licht brengen. ln het verhaal van Gods koninkrijk is onze rol nooit uitgespeeld. Amen.

R.Bruens

 

 

Advent

Advent houdt een belofte in. Uitzien naar. Een toekomst waarnaar wij mogen verlangen. We kijken  uit naar de geboorte van Jezus, die ons perspectief biedt op een betere wereld.

Maar voorlopig leven we nog in het heden. En dat betekent dat er nog hard gewerkt moet worden. In eerste instantie aan onszelf. Improve the World and start with yourselve. Hoe gauw zijn we niet geneigd om anderen de schuld te geven van misstanden. De overheid is verantwoordelijk of de opvoeding. Maar Johannes zegt niet: “bekeer de anderen”, maar “bekeer uzelf”. Een uitspraak van Mahatma Gandhi luidt:  “Jij moet de verandering zijn die je in de wereld wilt zien”. Met andere woorden: als je jezelf verandert, verander je de wereld. Maar werken aan een betere wereld, dat kun je niet alleen – alleen houd je het niet vol. Je moet geestverwanten zoeken, bondgenoten. Je hebt elkaar nodig om te kunnen hopen, je moet elkaars hoop aanwakkeren. Als iemand in nood is en zegt “er is geen God, er is geen recht en de mensen zijn slecht”, antwoord dan: “Ja, maar hier ben ik – ik wil er voor jou zijn”. Elkaar stimuleren. Hoe doe je dat?  Je moet elkaar bevrijden van vooroordelen, van “wij” tegenover “zij”, van harde taal die mensen opzet tegen elkaar. Hopen op een nieuwe wereldorde, betekent ook en misschien wel allereerst dat je bij jezelf te rade gaat, hoe je zelf zou kunnen bijdragen om het lot van een paar mensen te helpen verlichten? Hoe we eraan kunnen bijdragen dat mensen niet gediscrimineerd worden naar afkomst of geslacht.

In het Evangelie lezen we hoe Jezus’ voorganger, Johannes de Doper begint op te treden in de Jordaanstreek. Het woord van God kwam over Johannes, een profetisch woord. Waar vindt dat plaats? In een uithoek van de wereld die onderworpen is aan het Romeinse machtssysteem. Tegenover dit Romeinse machtssysteem klinkt een profetisch woord van Godswege. Johannes komt niet uit Rome, niet uit Jeruzalem; nee, Johannes komt uit de woestijn, zoals eens Israël, het volk, toen het bevrijd was uit het diensthuis Egypte. Hij predikt een doop van ommekeer. Wat is omkeer? Wat is dus “bekering”? Omkeer moet in de praktijk handen en voeten krijgen. Omkeer is een appel aan de rijke om zich te bekommeren om de arme; is een oproep aan de sterke om solidair te zijn met de zwakke.

In de advent heerst een jubelstemming. Er klinkt een belofte van “alles komt goed”. Wat krom is wordt recht. Want we kunnen om vergeving vragen voor alles wat we verkeerd hebben gedaan. Om wat we hebben nagelaten. Het is nooit te laat. Zo gaan de Nederlandse Spoorwegen slachtoffers en nabestaanden van de Holocaust schadevergoeding betalen. De NS heeft meegewerkt  aan de deportatie van 197.000 Joden vanuit kamp Westerbork, waar ze ook nog eens, omgerekend naar nu, miljoenen euro’s mee verdienden.

We mogen en moeten hoop blijven koesteren. Leg uw kleed van rouw en ellende af en sla de mantel van Gods gerechtigheid om, aldus de profeet Baruch in de eerste lezing. Wij kunnen die gerechtigheid enigszins vorm geven door het Adventsproject van dit jaar te ondersteunen. De stedelijke MOV heeft gekozen voor een project in Rwanda. Het doel is o.a. om de thuissituatie van de straatkinderen in Rwanda te verbeteren. Er staat de gehele adventsperiode een speciale bus achterin de kerk. En meer hierover kunt u lezen in de Samenloop.

De profetie die geschreven staat in het boek van Jesaja moge ons bemoedigen. Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht “Elk dal moet gevuld, elke berg of heuvel geslecht worden; de kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden”. Als wij iets daarvan waar kunnen maken, dan is het resultaat veelbelovend.  Heel de mensheid zal Gods redding zien. Dat het zo mag zijn.

A.Platvoet

32e zondag door het jaar

Geld speelt een belangrijke rol in het leven van mensen. Als je je portemonnee maar bij je hebt, kan je niets gebeuren. Dan kun je eten en drinken kopen. En je kunt met de bus of de trein weer thuis komen. Verder wil je graag loon naar werken. Daarvoor worden heel wat acties gevoerd. En we moeten zoveel mogelijk zelfstandig zijn en voor onszelf opkomen. Daar is niets mis mee. Maar er is ook nog een andere kant. Namelijk dat je voor een ander opkomt of op een ander beroep mag doen of dat een ander je te hulp schiet. Zo wou ik laatst afrekenen bij de kassa van de Jumbo en ik was mijn portemonnee kwijt. Dan sta je raar te kijken. Ik had er net nog een muntje uitgehaald voor het boodschappenwagentje. Een jonge vrouw naast mij schoot mij te hulp. Zij wou wel voor mij afrekenen, zei ze. Dat vond ik een heel mooi gebaar. Het hoefde trouwens niet, want ik vermoedde dat ik mijn portemonnee bij de bloemenkassa had laten liggen. En dat was gelukkig ook zo. De jonge vrouw die mij wou helpen was niet bang dat ze het geld niet terug zou krijgen. Ze deed spontaan wat haar hart haar ingaf. Dat verdient navolging. Wie ook navolging verdient is Sint Maarten. Morgen is het zijn naamdag, de 11de  november. Hij deelde zijn mantel met een arme medemens. Een groot voorbeeld voor ons. Hij staat symbool voor het thema van vandaag: Geven.

Ook in de schriftlezingen van vandaag staat het thema “Geven” centraal. Twee vrouwen staan centraal in de schriftlezingen. In de eerste lezing gaf de arme weduwe gehoor aan het verzoek van Elia om hem een broodje te bakken van haar laatste meel en olie. Dat was wel erg veel gevraagd. En toch deed ze het. Zij deed wat haar hart haar ingaf en had er vertrouwen in dat het wel goed zou komen. Want zij voelde zich aangesproken door  de Heer, die zich via Elia kenbaar maakte.

Hebt u dat ook wel eens, dat u denkt, waarom doe ik dit of dat eigenlijk? Ik denk dat het de Geest van God is die ons door Jezus kenbaar is gemaakt. Jezus als de exegeet van God. Jezus probeert ons duidelijk te maken wat de bedoeling van God is. Hoe wij met elkaar om moeten gaan, opkomen voor elkaar, lief en leed delen en meer geven dan nemen. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor relaties binnen een huwelijk of een samenlevingsverband. Als je vraagt naar het geheim van het welslagen daarvan, dan is vaak het antwoord: het is geven en nemen, maar meer geven. Ook in de omgang met anderen wordt er regelmatig een beroep gedaan op je flexibiliteit. Toegeven aan iets, wat een ander graag wil. Water bij de wijn doen.

Het  Evangelie van vandaag over het penningske van de arme weduwe geeft aan dat het God niet te doen is om de hoeveelheid.  De waarde van onze gave wordt bepaald door wat we hiermee geven van onszelf.

Jezus wijst zijn leerlingen erop dat rijken vaak denken veel te geven, maar ze geven van hun overvloed, dus niet zoveel van zichzelf, en niet altijd vanuit  hun hart. Eigenlijk kost hun vrijgevigheid hun niet zoveel. Dit in tegenstelling tot beide weduwen uit onze lezingen

Naast Sint Maarten zijn er vele anderen aan wie wij ons kunnen spiegelen. Zoals Oscar Romero die onlangs door paus Franciscus heilig is verklaard. Hij keerde zich tegen de onderdrukking van de armen in El Salvador. Of Alfons Ariëns die al in 1889 met enkele katholieke wevers een arbeidersvereniging oprichtte  en daarna ook van grote betekenis is geweest voor de arbeidersklasse.

De meest kwetsbare groepen in onze samenleving nu zijn de vluchtelingen, de hulpbehoevende ouderen, de gevangenen, de zieken, vaak ook éénoudergezinnen.

Hoe zit het met onze ‘christelijke houding’ tegenover hen?

Wat kunnen wij hier en nu bijdragen? Misschien kunnen wij iets betekenen voor de 250 vluchtelingen die in Hooghagen worden opgevangen. En laten we een keer ons gezicht zien op de ontmoetingsplek die in november in Klein Driene wordt geopend.

Niet de grote giften met veel vertoon en omhaal gegeven zijn voor God maatgevend, maar de warme belangstelling voor elke mens in nood, met name voor alle kwetsbaren en zwakken in de samenleving.

Wie oog heeft voor zijn medemens, wie de zorg van God voor elke mens deelt, die brengt het Koninkrijk van God dichterbij. Zo’n mens bouwt mee aan Gods droom. Amen.

A.Platvoet

29e zondag door het jaar: WERELDMISSIEDAG

 Jarenlang zijn Nederlandse missionarissen met veel enthousiasme gegaan naar plaatsen overal ter wereld om daar het geloof te verkondigen. Ze kwamen niet alleen om de verhalen van de Bijbel te vertellen en te dopen, maar gaandeweg gingen ze ook ziekenhuizen en scholen bouwen. Onze missionarissen werden zo ook ontwikkelingswerkers. Ze waren steeds dienstbaar aan mensen die ze in hun nieuwe omgeving ontmoetten. Dit alles in naam van God, die nabij wil zijn aan mensen, die van mensen houdt, die mensen vrij wil maken. En dát wilden ze juist: de mensen bevrijden van de angst voor duistere machten, die hen onvrij maakte.

Hoe is het nu? Het aantal Nederlandse missionarissen is sterk gedaald. Maar gelukkig zijn er ook nu nog steeds enthousiaste mensen, die al of niet als priester of religieus, als ontwikkelingswerker mensen in andere landen bijstaan. Hun leven wordt er zelf ook rijker van door hun ontmoeting met mensen in zo’n heel andere cultuur. Zo is er sprake van wederkerigheid en gelijkwaardigheid. Soms lijkt het er op, dat Nederland nu zѐlf een missieland is geworden. We kennen Poolse priesters, we hadden hier ook al eens een priester uit India.

Nederland een missieland? In ieder geval komen we in onze maatschappij ook nog veel onvrijheid tegen door machtsuitoefening. Dit gebeurt wanneer mensen de baas spelen over anderen, anderen naar hun hand zetten, wanneer mensen er alles voor over hebben om carrière te maken, achter de rug van iemand om proberen hun doel te bereiken.

De bijbel is in dit opzicht nog steeds actueel. We hoorden in het evangelie over Johannes en Jakobus, die probeerden een ereplaats te krijgen in het komende koninkrijk van God. Ze vroegen het heel ongegeneerd aan Jezus. Jezus stelt hún een wedervraag: “Kunnen jullie de beker van lijden en dood drinken zoals Ik die moet drinken?” Ze willen Jezus niet teleurstellen en zeggen heldhaftig: “Ja, dat kunnen wij”. “Maar dan nòg” laat Jezus weten:“ het is niet aan Mij om jullie deze plaatsen te kunnen geven in het Rijk van God, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie dit is bereid.” De andere leerlingen, die meegeluisterd hadden, werden kwaad op Johannes en Jakobus, omdat die twee te véél vroegen, maar misschien ook wel, omdat ze jaloers waren en zelf ook zo’n mooie plaats wilden hebben.

Is het niet moeilijk voor die leerlingen, maar ook voor òns, om te begrijpen waar het in het Koninkrijk van God ècht om gaat? Niet om macht dus, niet om ereplaatsen, niet om carrière maken, maar om iets heel anders. Jezus houdt hèn en òns een boodschap voor: WEES DIENAAR. De heersers der volkeren regeren met ijzeren vuist – we kennen allemaal wel voorbeelden hiervan – maar mensen zijn pas echt groot als ze in hun eigen leven weten te breken en te delen, met mensen veraf, maar ook voor de noodlijdende mens dichtbij. “Machtsdenken mag onder jullie niet voorkomen’ was Jezus’ boodschap. Het gaat om het dienen. Jezus zelf zal zijn leven geven als losprijs, zo hoorden we in de laatste zin van het evangelie van vanavond.

Dienen, wat betekent dat voor òns? Misschien vinden we het wel een ouderwets woord en roept het negatieve gedachten bij ons op. Ik denk, dat het zoiets betekent als: wil ik er voor anderen zijn? Hoe besteed ik mijn tijd? Kan ik tijd vrij maken voor een bezoekje aan een zieke of aan iemand die eenzaam is, ook als zo iemand naar mijn idee star is en vaak negatief reageert? Blijf ik respect tonen voor zo iemand? Het zit vaak in heel kleine dingen. Als iemand opbelt bv., hoe treed je dan iemand tegemoet? Nemen we de tijd en de moeite om ècht te luisteren?

Daarbij wil ik wel opmerken, dat we soms het onbevredigende gevoel kunnen krijgen, dat het niet lukt om voor alles en iedereen klaar te staan. Er is een grens. Je bent heel beperkt. God heeft ons ook op deze wereld neergezet met onze kleinheid en beperkingen. De ervaring leert: hoe ouder we worden, hoe minder we aan kunnen. Het is dan goed te bedenken, dat we moeten kiezen. Ook voor onszelf zorgen is belangrijk, anders kunnen we het niet opbrengen een zinvol leven te blijven leiden.

Nogmaals: dienen, wat betekent het voor ons? Ik noem nòg een aspect van het dienen, nl. God dienen. Natuurlijk doen we dat door dienstbaar te zijn aan onze medemensen. Ik zou daar nog iets aan willen toevoegen. In ons leven en werken is het goed te proberen ons ook bewust toe te wenden tot God. Zoals de H. Franciscus het zei: “Ik wil alles uit Gods hand ontvangen”. Al voel ik, dat dat laatste heel lastig kan zijn als er b.v. moeilijkheden komen. Toch wil ik steeds proberen dankbaar te zijn, dat ik er ben, leven vanuit het besef, dat ik er mag zijn. We mogen genieten en gelukkig zijn. Ook daarmee dienen we God.

Deze overweging ben ik begonnen met Wereldmissiedag. Ik wil er nu mee eindigen door het leven van een bijzondere missionaris in herinnering te brengen. Enkele jaren geleden op vakantie in Belgisch Vlaanderen werd ik geraakt door het verhaal van de grote Belgische pater Damiaan. Aan het eind van de 19e eeuw werkte hij als missionaris in de archipel van Hawaï. Hij hoorde er over het eiland Molokaï, dat een kolonie was van lijders aan melaatsheid, waar geen enkele aandacht aan deze mensen werd besteed. Ze waren uit hun eigen omgeving naar dit afgelegen eiland toe gebracht uit angst voor besmetting. Voor deze melaatsen betekende het echter een afschuwelijk leven, verstoten van familie, vrienden en dorpsgemeenschap, zonder enige medische verzorging. Af en toe kwam er een boot om wat voedsel te brengen. Dat was het enige contact met de buitenwereld. Pater Damiaan vroeg zijn bisschop in 1873 toestemming om op dit eiland te mogen werken en die 600 lepralijders bij te staan. Het betekende wel, dat hij nooit meer terug zou kunnen naar de bewoonde wereld.

Als er iѐmand dienstbaar was voor de meest ongelukkige mensen, dan was hij het wel. Hij zocht de mensen op met hun stinkende wonden, hij bouwde er hutjes voor de mensen, een kerk, legde er kleine wegen aan, gaf medische hulp. Hij timmerde zelf de doodskisten voor de overledenen, groef zelf de graven en zorgde voor een waardige begrafenis. Hij was voor deze mensen een teken van hoop. Tenslotte liep hij zelf melaatsheid op en was toen helemaal één van hen. Op 49-jarige leeftijd is hij op het eiland Molokaï overleden.

Het levensdevies van Damiaan was: in ieder mensengezicht, hoe gehavend ook, zie je het gelaat van God zelf. Zijn laatste woorden waren: “Elk leven is het waard geleefd te worden”. Zou dit levensmotto ook niet actueel zijn voor ons, mensen uit de 21e eeuw? Elk leven is het waard geleefd te worden.

Dat het zo moge zijn!

G.Gosen,pw