Overwegingen

32e zondag door het jaar

Geld speelt een belangrijke rol in het leven van mensen. Als je je portemonnee maar bij je hebt, kan je niets gebeuren. Dan kun je eten en drinken kopen. En je kunt met de bus of de trein weer thuis komen. Verder wil je graag loon naar werken. Daarvoor worden heel wat acties gevoerd. En we moeten zoveel mogelijk zelfstandig zijn en voor onszelf opkomen. Daar is niets mis mee. Maar er is ook nog een andere kant. Namelijk dat je voor een ander opkomt of op een ander beroep mag doen of dat een ander je te hulp schiet. Zo wou ik laatst afrekenen bij de kassa van de Jumbo en ik was mijn portemonnee kwijt. Dan sta je raar te kijken. Ik had er net nog een muntje uitgehaald voor het boodschappenwagentje. Een jonge vrouw naast mij schoot mij te hulp. Zij wou wel voor mij afrekenen, zei ze. Dat vond ik een heel mooi gebaar. Het hoefde trouwens niet, want ik vermoedde dat ik mijn portemonnee bij de bloemenkassa had laten liggen. En dat was gelukkig ook zo. De jonge vrouw die mij wou helpen was niet bang dat ze het geld niet terug zou krijgen. Ze deed spontaan wat haar hart haar ingaf. Dat verdient navolging. Wie ook navolging verdient is Sint Maarten. Morgen is het zijn naamdag, de 11de  november. Hij deelde zijn mantel met een arme medemens. Een groot voorbeeld voor ons. Hij staat symbool voor het thema van vandaag: Geven.

Ook in de schriftlezingen van vandaag staat het thema “Geven” centraal. Twee vrouwen staan centraal in de schriftlezingen. In de eerste lezing gaf de arme weduwe gehoor aan het verzoek van Elia om hem een broodje te bakken van haar laatste meel en olie. Dat was wel erg veel gevraagd. En toch deed ze het. Zij deed wat haar hart haar ingaf en had er vertrouwen in dat het wel goed zou komen. Want zij voelde zich aangesproken door  de Heer, die zich via Elia kenbaar maakte.

Hebt u dat ook wel eens, dat u denkt, waarom doe ik dit of dat eigenlijk? Ik denk dat het de Geest van God is die ons door Jezus kenbaar is gemaakt. Jezus als de exegeet van God. Jezus probeert ons duidelijk te maken wat de bedoeling van God is. Hoe wij met elkaar om moeten gaan, opkomen voor elkaar, lief en leed delen en meer geven dan nemen. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor relaties binnen een huwelijk of een samenlevingsverband. Als je vraagt naar het geheim van het welslagen daarvan, dan is vaak het antwoord: het is geven en nemen, maar meer geven. Ook in de omgang met anderen wordt er regelmatig een beroep gedaan op je flexibiliteit. Toegeven aan iets, wat een ander graag wil. Water bij de wijn doen.

Het  Evangelie van vandaag over het penningske van de arme weduwe geeft aan dat het God niet te doen is om de hoeveelheid.  De waarde van onze gave wordt bepaald door wat we hiermee geven van onszelf.

Jezus wijst zijn leerlingen erop dat rijken vaak denken veel te geven, maar ze geven van hun overvloed, dus niet zoveel van zichzelf, en niet altijd vanuit  hun hart. Eigenlijk kost hun vrijgevigheid hun niet zoveel. Dit in tegenstelling tot beide weduwen uit onze lezingen

Naast Sint Maarten zijn er vele anderen aan wie wij ons kunnen spiegelen. Zoals Oscar Romero die onlangs door paus Franciscus heilig is verklaard. Hij keerde zich tegen de onderdrukking van de armen in El Salvador. Of Alfons Ariëns die al in 1889 met enkele katholieke wevers een arbeidersvereniging oprichtte  en daarna ook van grote betekenis is geweest voor de arbeidersklasse.

De meest kwetsbare groepen in onze samenleving nu zijn de vluchtelingen, de hulpbehoevende ouderen, de gevangenen, de zieken, vaak ook éénoudergezinnen.

Hoe zit het met onze ‘christelijke houding’ tegenover hen?

Wat kunnen wij hier en nu bijdragen? Misschien kunnen wij iets betekenen voor de 250 vluchtelingen die in Hooghagen worden opgevangen. En laten we een keer ons gezicht zien op de ontmoetingsplek die in november in Klein Driene wordt geopend.

Niet de grote giften met veel vertoon en omhaal gegeven zijn voor God maatgevend, maar de warme belangstelling voor elke mens in nood, met name voor alle kwetsbaren en zwakken in de samenleving.

Wie oog heeft voor zijn medemens, wie de zorg van God voor elke mens deelt, die brengt het Koninkrijk van God dichterbij. Zo’n mens bouwt mee aan Gods droom. Amen.

A.Platvoet

29e zondag door het jaar: WERELDMISSIEDAG

 Jarenlang zijn Nederlandse missionarissen met veel enthousiasme gegaan naar plaatsen overal ter wereld om daar het geloof te verkondigen. Ze kwamen niet alleen om de verhalen van de Bijbel te vertellen en te dopen, maar gaandeweg gingen ze ook ziekenhuizen en scholen bouwen. Onze missionarissen werden zo ook ontwikkelingswerkers. Ze waren steeds dienstbaar aan mensen die ze in hun nieuwe omgeving ontmoetten. Dit alles in naam van God, die nabij wil zijn aan mensen, die van mensen houdt, die mensen vrij wil maken. En dát wilden ze juist: de mensen bevrijden van de angst voor duistere machten, die hen onvrij maakte.

Hoe is het nu? Het aantal Nederlandse missionarissen is sterk gedaald. Maar gelukkig zijn er ook nu nog steeds enthousiaste mensen, die al of niet als priester of religieus, als ontwikkelingswerker mensen in andere landen bijstaan. Hun leven wordt er zelf ook rijker van door hun ontmoeting met mensen in zo’n heel andere cultuur. Zo is er sprake van wederkerigheid en gelijkwaardigheid. Soms lijkt het er op, dat Nederland nu zѐlf een missieland is geworden. We kennen Poolse priesters, we hadden hier ook al eens een priester uit India.

Nederland een missieland? In ieder geval komen we in onze maatschappij ook nog veel onvrijheid tegen door machtsuitoefening. Dit gebeurt wanneer mensen de baas spelen over anderen, anderen naar hun hand zetten, wanneer mensen er alles voor over hebben om carrière te maken, achter de rug van iemand om proberen hun doel te bereiken.

De bijbel is in dit opzicht nog steeds actueel. We hoorden in het evangelie over Johannes en Jakobus, die probeerden een ereplaats te krijgen in het komende koninkrijk van God. Ze vroegen het heel ongegeneerd aan Jezus. Jezus stelt hún een wedervraag: “Kunnen jullie de beker van lijden en dood drinken zoals Ik die moet drinken?” Ze willen Jezus niet teleurstellen en zeggen heldhaftig: “Ja, dat kunnen wij”. “Maar dan nòg” laat Jezus weten:“ het is niet aan Mij om jullie deze plaatsen te kunnen geven in het Rijk van God, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie dit is bereid.” De andere leerlingen, die meegeluisterd hadden, werden kwaad op Johannes en Jakobus, omdat die twee te véél vroegen, maar misschien ook wel, omdat ze jaloers waren en zelf ook zo’n mooie plaats wilden hebben.

Is het niet moeilijk voor die leerlingen, maar ook voor òns, om te begrijpen waar het in het Koninkrijk van God ècht om gaat? Niet om macht dus, niet om ereplaatsen, niet om carrière maken, maar om iets heel anders. Jezus houdt hèn en òns een boodschap voor: WEES DIENAAR. De heersers der volkeren regeren met ijzeren vuist – we kennen allemaal wel voorbeelden hiervan – maar mensen zijn pas echt groot als ze in hun eigen leven weten te breken en te delen, met mensen veraf, maar ook voor de noodlijdende mens dichtbij. “Machtsdenken mag onder jullie niet voorkomen’ was Jezus’ boodschap. Het gaat om het dienen. Jezus zelf zal zijn leven geven als losprijs, zo hoorden we in de laatste zin van het evangelie van vanavond.

Dienen, wat betekent dat voor òns? Misschien vinden we het wel een ouderwets woord en roept het negatieve gedachten bij ons op. Ik denk, dat het zoiets betekent als: wil ik er voor anderen zijn? Hoe besteed ik mijn tijd? Kan ik tijd vrij maken voor een bezoekje aan een zieke of aan iemand die eenzaam is, ook als zo iemand naar mijn idee star is en vaak negatief reageert? Blijf ik respect tonen voor zo iemand? Het zit vaak in heel kleine dingen. Als iemand opbelt bv., hoe treed je dan iemand tegemoet? Nemen we de tijd en de moeite om ècht te luisteren?

Daarbij wil ik wel opmerken, dat we soms het onbevredigende gevoel kunnen krijgen, dat het niet lukt om voor alles en iedereen klaar te staan. Er is een grens. Je bent heel beperkt. God heeft ons ook op deze wereld neergezet met onze kleinheid en beperkingen. De ervaring leert: hoe ouder we worden, hoe minder we aan kunnen. Het is dan goed te bedenken, dat we moeten kiezen. Ook voor onszelf zorgen is belangrijk, anders kunnen we het niet opbrengen een zinvol leven te blijven leiden.

Nogmaals: dienen, wat betekent het voor ons? Ik noem nòg een aspect van het dienen, nl. God dienen. Natuurlijk doen we dat door dienstbaar te zijn aan onze medemensen. Ik zou daar nog iets aan willen toevoegen. In ons leven en werken is het goed te proberen ons ook bewust toe te wenden tot God. Zoals de H. Franciscus het zei: “Ik wil alles uit Gods hand ontvangen”. Al voel ik, dat dat laatste heel lastig kan zijn als er b.v. moeilijkheden komen. Toch wil ik steeds proberen dankbaar te zijn, dat ik er ben, leven vanuit het besef, dat ik er mag zijn. We mogen genieten en gelukkig zijn. Ook daarmee dienen we God.

Deze overweging ben ik begonnen met Wereldmissiedag. Ik wil er nu mee eindigen door het leven van een bijzondere missionaris in herinnering te brengen. Enkele jaren geleden op vakantie in Belgisch Vlaanderen werd ik geraakt door het verhaal van de grote Belgische pater Damiaan. Aan het eind van de 19e eeuw werkte hij als missionaris in de archipel van Hawaï. Hij hoorde er over het eiland Molokaï, dat een kolonie was van lijders aan melaatsheid, waar geen enkele aandacht aan deze mensen werd besteed. Ze waren uit hun eigen omgeving naar dit afgelegen eiland toe gebracht uit angst voor besmetting. Voor deze melaatsen betekende het echter een afschuwelijk leven, verstoten van familie, vrienden en dorpsgemeenschap, zonder enige medische verzorging. Af en toe kwam er een boot om wat voedsel te brengen. Dat was het enige contact met de buitenwereld. Pater Damiaan vroeg zijn bisschop in 1873 toestemming om op dit eiland te mogen werken en die 600 lepralijders bij te staan. Het betekende wel, dat hij nooit meer terug zou kunnen naar de bewoonde wereld.

Als er iѐmand dienstbaar was voor de meest ongelukkige mensen, dan was hij het wel. Hij zocht de mensen op met hun stinkende wonden, hij bouwde er hutjes voor de mensen, een kerk, legde er kleine wegen aan, gaf medische hulp. Hij timmerde zelf de doodskisten voor de overledenen, groef zelf de graven en zorgde voor een waardige begrafenis. Hij was voor deze mensen een teken van hoop. Tenslotte liep hij zelf melaatsheid op en was toen helemaal één van hen. Op 49-jarige leeftijd is hij op het eiland Molokaï overleden.

Het levensdevies van Damiaan was: in ieder mensengezicht, hoe gehavend ook, zie je het gelaat van God zelf. Zijn laatste woorden waren: “Elk leven is het waard geleefd te worden”. Zou dit levensmotto ook niet actueel zijn voor ons, mensen uit de 21e eeuw? Elk leven is het waard geleefd te worden.

Dat het zo moge zijn!

G.Gosen,pw