Overwegingen

Je hoort het jonge ouders wel eens verzuchten: Hoe kan dat toch. Thuis luisteren ze niet. Op school of bij vriendjes gedragen ze zich voorbeeldig. Bij de eigen ouders luisteren? Ho maar. Vreemde ogen dwingen, zeggen we dan. Andersom gebeurt het ook. Ouders op leeftijd die steeds meer en meer hulp behoeven, luisteren liever niet naar de adviezen van de eigen kinderen. Maar mensen die iets verder van hen afstaan, worden wel gehoord. Naar vreemden wordt dikwijls meer en beter geluisterd. Vreemde ogen dwingen, zeggen we dan. Dat dit iets is van alle tijden, merken we in de lezingen van vandaag. Het volk Israël bevindt zich al heel lang in ballingschap in Babylonië.  In de eerste lezing horen we, hoe Ezechiël door God is geroepen om zijn eigen landgenoten bij te staan. Ze leven onder uitzichtloze omstandigheden. Als priester is Ezechiël verantwoordelijk, maar er wordt niet naar hem geluisterd. Men is boos en ongeduldig, weerbarstig, staat er. De macht van het kwaad dreigt de goedheid van God te overtroeven. ln wanhoop trekt Ezechiël zich terug bij de stilte van een rivier en in alle rust richt hij zich onzeker, maar vol vertrouwen tot God. En God komt zijn onvermogen te hulp. Ezechiël voelt in een visioen dat de Geest van God tot hem doordringt. Ezechiël betekent: God geeft sterkte en met die kracht in zich, gaat hij terug naar zijn mensen en spreekt de taal van Gods’ Liefde. Het zal goed komen

ln de tweede lezing horen we hoe het jezus ook overkwam. Eigen mensen die niet luisteren. Vooroordelen: Moet Hij ons wat vertellen? We weten weinig over de eerste 30 jaren van zijn leven. Jezus groeide op bij zijn ouders. Jozef de timmerman en Maria,  een bescheiden moeder. Profeten, zegt Jezus, worden in eigen stad of land niet geëerd. Dat ondervond Hij zelf toen Hij op de Sabbat in de synagoge wilde onderrichten. Daar in zijn vaderstad, werd geringschattend gereageerd. Ze

kenden zijn familie, zijn eenvoudige komaf en dus wilde ze niet begrijpen waar Hij de wijsheid vandaan had. De zoon van de timmerman mocht desnoods wel de preekstoel repareren maar Hij moet er niet op gaan staan en over God gaan vertellen. leder zijn vak, vinden ze. Onderricht geven en vertellen wat God van mensen verwacht, dat is het werk van Schriftgeleerden. Geloofsoverdracht is

voorbehouden aan deskundigen, denkt men. Jezus was verbaasd over hun ongeloof, maar Hij ging rond door de dorpen en gaf onderricht en deed wonderen. Vooroordelen zijn van toen en van nu. Moet die of die ons wat vertellen? Heeft ze daar wel voor geleerd? Vaak is een vreemde maar gewijde pastor meer welkom dan een toegewijde parochiaan en dat is begrijpelijk.

Toen mij een paar jaar geleden werd gevraagd ook te willen voorgaan in de weekend vieringen, heb ik daar wel even nagedacht voor ik Ja zei. Hier in deze geloofsgemeenschap ervaren we waardering voor datgene wat een lekenvoorganger doet. U blijft toch komen als er eigen mensen,  medeparochianen, voorgaan in gebed en samen met u luisteren naar het woord van God. Natuurlijk zijn er ook vragen gesteld en werd er nieuwsgierig afgewacht wat er verkondigd zou worden. Toen ik enkele keren in de dienst op het Swafert was voorgegaan, kwam er wel een plagend bedoelde

opmerking:  voor jou is het niet zo moeilijk. Je man, pastor, kan de preek schrijven. Nee dus, echt niet. Ook kwam er waardering, gevolgd door de vraag: Kun je dat zomaar en moet je daar nou veel voor leren? lk heb geen theologie gestudeerd, zoals de beroepspastor. lk heb wel cursussen gevolgd en ben ook een paar jaar lid van een bijbelstudiegroepje. Samen lezen we de tekst voor het weekend. we denken er over na en schrijven dan onze eigen gedachten op. Dan luisteren we naar de ervaringen en belevingen van elkaar. En dat luisteren is van wezenlijk belang. Door te luisteren krijgt alles een diepere betekenis. Door goed te luisteren kom je tot de kern. Daarom bent u ook zo

belangrijk. U allen,  uw verhalen, uw geloofsverhalen, uw ervaringen uw levenswijsheid ; het is onmisbaar. De bekende theoloog, Edward Schillebeekx, schreef o.a. een boek met de titel: Mensen als verhaal van God. Hoe kunnen wij, gewone mensen, het verhaal van God gestalte geven? Het

antwoord is simpel. Althans in theorie. Door dat verhaal van God voor te leven, te luisteren naar elkaar. Goed nieuws verkondig en, zoals de profeten. Dat wat ons door gewone mensen wordt verteld, ter harte nemen. Niet alleen ons oor te luisteren leggen, maar we moeten ons echt openstellen voor wat er bij de ander leeft. Inleven en meeleven. Dan komen we er achter wat er bij die ander leeft en wat er schuil gaat achter de woorden. Als we goed luisteren naar de verhalen uit de bijbel, merken we ,dat Jezus juist een zwak heeft voor de gewone mens. Hij heeft bijzondere aandacht voor de zwakkeren in de samenleving. Vaak roept God gewone mensen op om iets buitengewoons te doen. Graag wil ik u wijzen op de tekst van psalm 72 op blz.1L van uw boekje: voor kleine mensen is Hij bereikbaar. Hij geeft hoop aan rechtelozen. Hij komt op voor de misdeelden. Zijn naam gaat rond over de aarde een woord van vrede van mens tot mens. Als we maar luisteren naar dat woord en het ter harte nemen, zal er vrede in overvloed zijn. Die vrede wens ik ons allen toe’

R.Bruens

 

 

WEES NIET BANG, MAAR BLIJF GELOVEN IN HET LEVEN

 13e zondag door het jaar (B)

Het is wonderlijk om te zien. T.v.-beelden uit Syrië, waarop mensen worden getoond die terugkeren naar hun plat gebombardeerde steden. In die chaos beginnen ze weer zoveel mogelijk met opruimen, met proberen een leefbaar plekje te maken voor hun gezin. Mensen die weer opstaan!

Of in onze eigen omgeving: mensen die een dierbare hebben moeten missen, die zeggen: “We moeten verder, of we willen of niet”. Waar halen ze de moed vandaan? Is het de wil om te léven, die sterker is dan alle dood, geweld en verdriet? Die levenswil die bergen van puin kan verzetten? Dat vertrouwen tegen alle noodlot in is niet stuk te krijgen. Die levenswil zit blijkbaar diep in elke mens. Al moeten we soms ook meemaken,  dat mensen er niet meer tegenop kunnen, en dan verdoofd en gelaten zijn, je zou haast zeggen: ze zijn “levend dood”.

De schrijver van de eerste lezing van vanavond – die een aantal jaren vóór Jezus leefde – zag God vanuit zijn geloof als een God van levenden, “want” zo schrijft hij: “God heeft de dood niet gemaakt, maar Hij heeft alles  voor het leven geschapen”. Ook schrijft hij: “God heeft immers de mens geschapen voor een onvergankelijk leven”.

Overeind blijven, opgericht in het leven staan, is dat niet hetgeen de eerste lezing ons zeggen wil? Vertrouwen in jezelf bewaren en bij anderen vertrouwen aanwakkeren.

In het evangelie laat Marcus vandaag Jezus zien, die ook vertrouwvol in het leven staat: vertrouwen heeft in zichzelf, maar ook het vertrouwen in anderen opmerkt.

 Marcus vertelt: Jaïrus, een overste van de synagoge, klampt Jezus aan. Hij is ten einde raad, omdat hij zijn kind dreigt te verliezen. En dus smeekt hij Jezus hartgrondig om hulp: “Heer, mijn dochtertje ligt op sterven, kom toch en leg haar alsjeblieft de handen op”. Jezus gaat met hem mee. Je voelt, dat het allemaal snel moet gebeuren.

Dan ineens is er een zieke vrouw. Een vervelend oponthoud. De vrouw blijkt een ellendig leven te hebben door haar kwaal. Door haar bloedvloeiingen is ze constant onrein, mag ze niemand aanraken en ook niet aangeraakt worden. Zo is nu eenmaal de Joodse wet. Ze is daardoor helemaal op zichzelf aangewezen, heeft geen contact met de gemeenschap, ze wordt gemeden als de pest. Voor de mensen is ze levend dood. Maar zelf grijpt ze elke kans aan die ze ziet om uit de vernederende situatie te komen. Ze houdt zich vast aan het leven.

Zo dringt ze tot Jezus door. En ze doet iets wat haar bij de wet verboden is: ze durft Hem even aan te raken, en… ze geneest. Jezus is onder de indruk van haar levenswil en haar vertrouwen. Daarin ziet Jezus iets van God terug: van Gods diepste bedoeling met de mens, namelijk léven. En Hij zegt tegen de vrouw: “Uw geloof, uw vertrouwen heeft u gered”. Dan geeft Hij  haar ook nog een zegenwens mee: “Ga in vrede en wees genezen van uw kwaal”.

Net zoals deze vrouw en net zoals Jaïrus en zijn dochtertje is iedereen wel eens bang voor de toekomst, angstig bij de gedachte aan ziekte en dood. We horen Jezus tegen Jaïrus zeggen: “Wees niet bang, maar blijf geloven”. Jaïrus doet dat.

Hoe groot is òns geloof en vertrouwen? Of denken we: “Waarom moet ons dat overkomen?” Geloven, vertrouwen, het is niet altijd gemakkelijk. Angst en zorgen kun je niet zomaar van je af zetten.

Een vrouw die heel veel heeft meegemaakt in haar leven vertelt: “Ik heb een nare jeugd gehad, mijn man liet me in de steek, mijn jongste dochter stierf. En ik had nog zó gebeden om genezing. Ik had daarna heel moeilijke jaren.

Nu kan ik zeggen: “Ik merk een kracht die mij steeds overeind helpt. Die kracht moet wel van God komen”.

Ik denk, dat meerderen van ons ook wel eens zoiets hebben ervaren, terugkijkend op een moeilijke periode in het leven. Achteraf voel je, dat je er wonderlijk en wel doorheen gekomen bent, dat je kracht gekregen hebt. Soms via mensen die met je begaan waren, je niet in de steek lieten, je een hand toestaken, zoals Jezus dat deed bij het meisje, terwijl Hij zei: “Meisje, sta op”. En op onze beurt zullen wij ook mensen tegenkomen, die zo’n handgebaar, zo’n opbeurende aanraking nodig hebben om staande te blijven in moeilijke situaties, om het vertrouwen in het leven niet te verliezen.

In onze tijd, waar het vaak is “ieder voor zich en God voor ons allen”, is het zo belangrijk, dat we  elkaars lief en leed delen, onze levensverhalen blijven vertellen. Ook in onze geloofsgemeenschap. Daarom vind ik de ontmoeting na de viering tijdens de koffie zo belangrijk. Dan kunnen we verhalen horen over wat ons raakt, wat er speelt in onze wijk, hoe we elkaar misschien tot steun kunnen zijn.

Waar we zo samen op weg zijn, hóren we niet alleen het evangelie van de vrouw en Jaïrus en zijn dochtertje , maar gebeurt het evangelie opnieuw, hier en nu. Soms gebeuren er dan wonderen, wonderen van leven.

Dat het zo moge zijn.

G.Gosen, pw

 

Het hoogfeest van Pinksteren

 

OPEN BLIJVEN VOOR HET ONMOGELIJKE

Handelingen 2,1-11 & Joh.20,19-23

Wat is er in het bijbels Pinksteren toch allemaal aan de hand ?   Een windvlaag, een soort vlammen, gesloten deuren of het waaien van de geest. Dat is al meer dan genoeg om van je stoel te vallen. Want waar maak je dit nu nog mee ? De taferelen   uit de lezingen lijken van heel ver te komen, te onwerkelijk voor de moderne mens, die wij zijn.

Nee, ik val vanavond voor iets anders. Ik hoor in het fragment uit de Handelingen van de apostelen dat er iets gebeurt met iedereen. En is dat niet ook het grote verlangen van elke predikant : dat de luisteraars het goede nieuws in hun eigen woorden horen, oppikken wat gezegd wordt ?

En even later weten we wie ‘iedereen’ zijn : Joden uit Rome, mensen uit Kreta en Arabië, uit Libië en uit zoveel landen die we misschien kennen van een vakantie of anders wel uit de media. Wij zijn wereldburgers geworden al blijf je wonen in het nog vrij veilige Twente. Maar wat speelt er in Jeruzalem ? Dat ‘grootscheeps’ verstaan van elkaar, het verbijsterd, het brengt mensen van hun stuk. Want beeld je maar eens in: leiders van volkeren met tegenstrijdige belangen zie je aan dezelfde tafel en zetten hun klokken gelijk, mensen uit verschillende culturen en religies zie je bijeen op het Sint Pietersplein, of families zie je weer verenigd rond een gezellig diner na jaren van ruzie. Je weet het dan even niet. Of het maalt door je hoofd: wat heeft dit toch te betekenen ? Kan het onmogelijke toch eens gebeuren ?

Ik deel vanavond dit gevoel. En dat komt ook door wat ik lees in de brief van Paulus aan de inwoners van de Griekse havenstad Korinthe. Daar is het dan al behoorlijk mis met het elkaar verstaan. De tegenstellingen in de gemeenschap van christenen zijn zo hoog opgelopen dat Paulus wel moet wijzen op wat God voor ogen stond met het weldoende rondgaan van Jezus, de Gezalfde en zijn geliefde Zoon. Hij schrijft dan: ‘Aan ieder van ons wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. En vergeet niet: we zijn allen van één Geest gedrenkt, of we nu uit het Joodse volk of uit een ander volk afkomstig zijn , of we nu slaven of vrije mensen zijn. We zijn één lichaam geworden.’

Ik hoor hier over een kans voor iedereen. Maar komt daar nog iets van terecht in ons dagelijks leven ? Ja, is mijn overtuiging als ik om heen kijk. Dan voel ik me soms   zoals de leerlingen op de avond van de eerste dag van de week: ook vol vreugde en open genoeg voor een nieuwe toekomst die verrassen kan. Wat mag dat dan wel zijn ? Ik geef drie voorbeelden.

Barst verandert levens, lees ik in de krant. Waarom de Hengelose jeugdtheatergroep ‘Barst’ zo heet, weet ik niet. Maar de vreugde barst eruit, al twintig jaar lang. Het motto van oud-onderwijzer Rinus Morsink`en nu leider van deze groep luidt: ‘Iedereen mag meedoen, ook als ze een beperking hebben. Wij geven kinderen zelfvertrouwen.’ En iemand terugkijkend op wat hij daar meemaakte zegt: ‘Ik weet nu wie ik wil zijn.’ Ja, las ik: de sfeer is daar geweldig en iedereen is er voor elkaar. Zoals vele streekgenoten dat ook hopen voor een herrijzend FC Twente. En waait hier en daar dan ook niet de goede Geest ? Of waait die alleen als we in kerken gregoriaans zingen ?

Een vrouw blijft ondanks chemokuren voor de behandeling van haar kanker dagelijks nog een half uur fietsen. Ze houdt vol, ook bij tegenwind. Iemand uit haar dorp zag haar fietsen en stuurde haar later een door haar zelf gemaakte tekening van een vrouw met wapperende haren, tegen de wind in fietsend vlak voor een kleine heuvel. Met een lieve groet. Ja, kan niet iedereen uit de goede Geest leven? Gelovig of niet ?

En dan is er weer onze paus Franciscus die een Spirit of Surprise heeft. Hij verrast steeds weer.

Hij schreef onlangs een ongekend praktische gids voor de moderne zoekende, tastende niet-wetende aardse gelovige met daarin de zin: ‘Iedereen kan heilig zijn.’ Dat is verrassend, want heilig zijn lijkt een voorrecht – en niet eens zo’n plezierig voorrecht – voor toppers in de deugdzaamheid, voor een kleine groep uitverkorenen of voor religieuzen, bisschoppen, pausen, helden of Moeder Teresa’s. Heilig zijn ruikt ook nog eens zo hemels. En dat juist prikt paus Franciscus door. Het is aards.

Iedereen kan doen wat goed is: zorgzaam zijn voor elkaar, als vrouw of man in hun relatie, je kunt elkaar verdragen als het lastig wordt, je kunt samen genieten en een gevoel voor humor en enthousiasme bewaren. Het huishouden doen, koken en schoonmaken, de meest alledaagse dingen, ze zijn de plek waar God God kan zijn, of waar zichtbaar wordt wat er gebeurt in Gods naam. Overal waar iedere mens telt en wij in elkaar geloven. En dat is ook het motto van de Pinksteractie dit jaar voor de Nederlandse missionarissen.

Open staan voor het onmogelijke, open staan voor wat niet te programmeren valt, nog niet te zien is, open staan voor de Liefdesstroom in niet te tellen variaties. En dat voor iedereen. Ik zeg met overtuiging dat we daarvoor op deze avond het beste kunnen bidden: ‘Kom, heilige Geest, adem ons open.’ Moge dat ons gegeven worden.

J.Nibbelke, pr

BLIJF VERBONDEN 

Vroeg in het voorjaar kun je in de tuin wat takken afsnijden van b.v. een appelboom en die in een vaas met water zetten. Je hoopt, dat de kleine knopjes zullen uitkomen. Dat gebeurt wel, maar je moet lang geduld hebben. De bloesemblaadjes zijn dan klein en teer. Wanneer je dit een aantal weken later doet, zie je dat de knoppen veel eerder uitkomen en de bloesem voller is. Het worden prachtige lentebloesems. De takjes hebben nl. wat langer aan de stam van de boom vastgezeten. Na een tijdje valt de bloesem af, maar we weten allemaal, dat er geen appels gaan groeien aan zulke afgesneden takken. Los van de stam is dat niet mogelijk.

Wanneer we in deze tijd gaan kijken naar de boomgaarden, dan zie je hoe de bomen prachtig in bloei staan. Na verloop van tijd vallen de bloemblaadjes af, maar de kern, het vruchtbeginsel blijft zitten en groeit uit tot een volle vrucht. Zo zie je hoe vitaal de band is tussen de takken en de stam.

Zojuist luisterden we naar een gedeelte van het Johannes-evangelie, een stukje van de tweede grote rede die Jezus hield op de avond vóór zijn dood, toen Hij met zijn leerlingen zat aan het Laatste Avondmaal. Jezus wil zijn vrienden, zijn leerlingen, nog wat zeggen, probeert in de woorden van Johannes hen moed in te spreken. Ze moeten met Hem verbonden blijven en op Hem blijven vertrouwen. Ook als Hij er niet meer zal zijn. “Blijf in Mij, dan blijf Ik in jullie” zegt Hij. Hij zegt het zelfs een paar keer achter elkaar. Dat woord “blijven” komt welgeteld zeven keer voor in dit korte bijbelgedeelte. Hij sméékt het bijna: “Blijf met Mij verbonden”. Het gaat hier om de relatie tussen God, Jezus en zijn leerlingen. Hij wil, dat ze contact blijven houden. “Ik ben de ware wijnstok” zegt Hij, “en mijn Vader is de wijnbouwer”. Ook: “Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken”.

Er is hier sprake van wederkerigheid. Als door een hevige wind of onweer            de ranken en bladeren van de wijnstok worden afgerukt, kan de hele wijnoogst mislukken. De ranken en bladeren geven kennelijk hun kracht door aan de kern, de wijnstok. Maar aan de andere kant kunnen de ranken ook weer niet zonder de stam.

In deze wisselwerking is het beeld van de wijnstok en de ranken ook een mooi beeld voor de geloofsgemeenschap. Het doet denken aan die geloofsgemeenschap van de eerste christenen, die paasgemeenschap, zoals die wordt beschreven in het boek Handelingen. Ze haalden hun kracht uit gebed en uit hun verbondenheid met Jezus, die voor hun een bron van nieuw leven was geworden. In die verbondenheid met Jezus voelden ze zich ook verbonden met elkaar, alles hadden ze gemeenschappelijk, er was niemand die gebrek leed, zo staat er. Al is het misschien wel een beetje te mooi beschreven. Maar toch!

Zo is dit beeld van de wijnstok en de ranken ook een beeld voor onze geloofsgemeenschap hier, de Rafael/Exodus. Onze komst naar deze kerk, elke week, of eens in de zoveel weken, is een manier om in contact te blijven met Jezus, met zijn leven, met zijn woorden; maar ook door als ranken onderling contact te houden en verbonden te blijven met elkaar, en zo een gemeenschap te vormen. Je merkt pas hoe waardevol dat is, als je niet meer in de gelegenheid bent om hier te komen en elkaar te ontmoeten. Een vrouw van 92 jaar, gehandicapt, gelovig, die haar huis niet meer uit kwam, klaagde als ik bij haar kwam, dat ze niet meer naar de kerk kon. Ze had het gevoel, dat ze nergens meer bij hoorde. Ze keek wel naar de Eucharistieviering op de t.v., maar dat was het niet. Ze miste het levende contact. We hebben ons geloof en onze energie immers vaak te danken aan de verbondenheid, het contact met medegelovigen. Wie ben je als mens, als je nergens meer bij hoort.

Allemaal verbonden zijn we met dezelfde wijnstok. Daar vloeit ook uit voort, dat het niet mag gebeuren, dat de één zich belangrijker vindt dan de ander. De grootte, de kracht en de vorm van elke rank mag dan geen rol spelen. Je afkomst, je familie, je baan, je leeftijd, je huidskleur mogen niet een reden zijn jezelf belangrijker of minder belangrijk te vinden dan een ander. We denken misschien wel eens te gemakkelijk, dat we inderdaad iedereen accepteren zoals hij of zij is, dat er sprake is van gelijkwaardigheid.  Maar toen ik een interview las met een vrouw van Brits-Ghanese afkomst, met een bruine huid, maakte ze me duidelijk, dat racisme soms heel subtiel aanwezig is onder mensen. Haar schoolvriendinnetjes, die het heel goed bedoelden, zeiden b.v. tegen haar: “Maak je geen zorgen, Afua, we zien jou niet als zwart”. Afua voelde toen, dat er aan haar huidskleur iets verkeerds was. Ze zegt: “Het is dus de bedoeling, dat je wit bent’. Zo maar een voorbeeld hoe gemakkelijk we ervan uitgaan, dat anderen eigenlijk net zo moeten zijn als wij.

Aan het einde van de lezing zegt Jezus: “Mijn Vader wordt verheerlijkt wanneer jullie rijkelijk vrucht dragen en jullie mijn leerlingen worden.” We kunnen ons afvragen wat voor vruchten hebben wij gedragen en dragen wij nog. Zijn het goede vruchten? Zelf ervaar ik, dat in mijn leven niet àlles goed is geweest. Sommige dingen zou ik graag over willen doen, ànders willen doen. Maar het is zoals het is. Gelukkig hoorden we zojuist ook voorlezen uit de eerste brief van Johannes. Daar staat: “Vrienden, laten we ons hart geruststellen in God, want zelfs als ons hart ons aanklaagt, God is toch gróter dan ons hart”. Hij, de wijnbouwer, heeft het goede met ons voor.

En Jezus is de wijnstok. Hij legt zijn hand op ons en zegt: “Blijf maar in Mij, dan draagt je leven mooie vruchten, ook al zie je die misschien zelf niet.”

Dat het zo moge zijn.

G.Gosen. pw

Emmausgangers

Twee mensen op weg van Jerusalem naar Emmaus: van zondag naar door-de-week; van hoop naar teleurstelling; van feest naar sleur; van geloof naar twijfel. Mensen onderweg, met elkaar druk in gesprek.

Hoe kan ik enthousiast zijn over het leven, als ik overal om me heen de dood zie van onschuldige mensen; de honger van weerlozen; de marteling van machtelozen ?  Je hebt eigenlijk wel gelijk, maar wat wil je ertegen doen? Ze moeten het zelf maar uitzoeken daar in Syrie. Daar kunnen jij en ik toch weinig tegen doen? En zo sjouwen we onverrichterzake door van Jerusalem naar Emmaus…..

Een vader in gesprek met zijn kind: over wie er gelijk heeft en wie niet. Over hoe goed het vroeger was en hoe slecht nu. Over wat de een verwacht en de ander niet waar maakt. Over fatsoen en onbehoorlijk; over gaaf en stom. Ze wisselen heel wat woorden, maar verstaan elkaar niet. Ze praten de hele weg van Jerusalem naar Emmaus….

Twee mensen druk met elkaar in gesprek over kerk en geloof. Van alles wordt erbij gehaald: van wierookvat tot Petrusambt. “Volgens mij”  zegt de een….”Ik vind” zegt de ander…… Beide hebben ze het hoogste woord, hun eigen woord.  En daardoor komen ze niet toe aan Zijn Woord. Dat kan ook niet, want ze zijn geen ogenblik stil. Hij gaat wel met hen mee, maar ze herkennen Hem niet. Ze zien alleen zichzelf, onderweg van Jerusalem naar Emmaus……

Zo ging het in Jezus’ tijd en zo gaat het nu. Zo is het leven. Wij mensen zitten gevangen in de dood van het eigen gelijk, ons beter weten. In het graf van schuldgevoel en menselijk falen. Er ligt een knots van een steen voor het graf van wetten en geboden. Een steen van menselijk opzicht en sociale controle. Wie zal die steen wegrollen van het graf? Kunnen we nog wel uit het graf aan het licht komen? Zitten we al niet te lang opgesloten  in ons eigen wereldje? Zitten er niet teveel luchtjes  aan onze woorden en daden. Alle christelijke beginselen ten spijt?

Maar dan, anders en op een veel gewonere manier dan je had verwacht, is er opeens dat nieuwe leven. Heel schuchter nog, als het prille voorjaar met zijn net uitlopende bloesems. In de stilte, in een goed woord, in een lief gebaar. Gewoon in een mens van vlees en bloed. Die je wel eerder hebt gezien, maar waarnaar je nooit echt hebt omgekeken. Je had het wel gehoord, maar geen gehoor gegeven. En nu opeens, doordat je samen iets deelt, herken je hem. Terwijl je eindelijk besluit om tegenover die ander je schuld te erkennen en excuus te vragen voor je lompigheid, hoor je opeens zijn “vrede zij u”.  Soms komt het zo onverwacht dat je het haast niet kunt geloven. Dat je meent een geest te zien. Maar een geest is ongenaakbaar, heeft geen hart en mond. Hij is het echt: dezelfde als toen. Hij leeft en komt aan het licht. In het breken van het brood; in het teken van het kruis; in de gang van de geschiedenis; overal is Hij waarachtig en levend aanwezig. Verrezen volgens de Schriften.

Het heeft de leerlingen moeite gekost om dat te zien en ervan te getuigen. Het kost ons ook moeite. Christus opnieuw weer kruisigen gaat ons heel gemakkelijk af. Maar Hem laten opstaan, het nieuwe leven een kans geven, daarin schieten we als mensheid massaal tekort. Dat is eigenlijk onze zondigheid waaruit we ons moeten bekeren. De eerste lezing van vandaag nodigt ons daartoe nadrukkelijk uit.

Want bekering en opstanding hangen heel nauw samen. Bekering in bijbelse zin wel te verstaan. Die is heel ingrijpend, omdat het heel je wezen raakt. Sta ik open voor Gods Woord of blijf ik steken in mijn eigen mening en inzichten? Bekering volgens de Schriften wil zeggen dat ik God binnen laat in mijn wereld. Dat heel mijn gedrag wordt bepaald en ‘gedragen’  door zijn woorden en leefregels. Bekering volgens de Schriften wil zeggen, dat we onze koers richten naar de wegwijzer die in ons midden staat: Jezus van Nazareth en zijn Geest.

Mensen onderweg van Jerusalem naar Emmaus. Mensen die Hem herkennen, omdat ze met elkaar breken en delen. Mensen die Hem verstaan, omdat ze ook elkaar verstaan. Mensen die opstanding tastbaar maken, omdat ze niet bij de pakken neer gaan zitten. Want geloven in opstanding is een opstandig geloof. D.w.z. dat je gelooft in het leven. Dat je daarvoor wilt vechten en je eigen leven geven. Dan staat Hij midden tussen je in en ervaar je zijn vrede. Je komt weg uit het graf van je eigen zondigheid. Je komt tot werkelijk leven: verrezen volgens de Schriften.

Pastor Th.Bruens