Overwegingen

Emmausgangers

Twee mensen op weg van Jerusalem naar Emmaus: van zondag naar door-de-week; van hoop naar teleurstelling; van feest naar sleur; van geloof naar twijfel. Mensen onderweg, met elkaar druk in gesprek.

Hoe kan ik enthousiast zijn over het leven, als ik overal om me heen de dood zie van onschuldige mensen; de honger van weerlozen; de marteling van machtelozen ?  Je hebt eigenlijk wel gelijk, maar wat wil je ertegen doen? Ze moeten het zelf maar uitzoeken daar in Syrie. Daar kunnen jij en ik toch weinig tegen doen? En zo sjouwen we onverrichterzake door van Jerusalem naar Emmaus…..

Een vader in gesprek met zijn kind: over wie er gelijk heeft en wie niet. Over hoe goed het vroeger was en hoe slecht nu. Over wat de een verwacht en de ander niet waar maakt. Over fatsoen en onbehoorlijk; over gaaf en stom. Ze wisselen heel wat woorden, maar verstaan elkaar niet. Ze praten de hele weg van Jerusalem naar Emmaus….

Twee mensen druk met elkaar in gesprek over kerk en geloof. Van alles wordt erbij gehaald: van wierookvat tot Petrusambt. “Volgens mij”  zegt de een….”Ik vind” zegt de ander…… Beide hebben ze het hoogste woord, hun eigen woord.  En daardoor komen ze niet toe aan Zijn Woord. Dat kan ook niet, want ze zijn geen ogenblik stil. Hij gaat wel met hen mee, maar ze herkennen Hem niet. Ze zien alleen zichzelf, onderweg van Jerusalem naar Emmaus……

Zo ging het in Jezus’ tijd en zo gaat het nu. Zo is het leven. Wij mensen zitten gevangen in de dood van het eigen gelijk, ons beter weten. In het graf van schuldgevoel en menselijk falen. Er ligt een knots van een steen voor het graf van wetten en geboden. Een steen van menselijk opzicht en sociale controle. Wie zal die steen wegrollen van het graf? Kunnen we nog wel uit het graf aan het licht komen? Zitten we al niet te lang opgesloten  in ons eigen wereldje? Zitten er niet teveel luchtjes  aan onze woorden en daden. Alle christelijke beginselen ten spijt?

Maar dan, anders en op een veel gewonere manier dan je had verwacht, is er opeens dat nieuwe leven. Heel schuchter nog, als het prille voorjaar met zijn net uitlopende bloesems. In de stilte, in een goed woord, in een lief gebaar. Gewoon in een mens van vlees en bloed. Die je wel eerder hebt gezien, maar waarnaar je nooit echt hebt omgekeken. Je had het wel gehoord, maar geen gehoor gegeven. En nu opeens, doordat je samen iets deelt, herken je hem. Terwijl je eindelijk besluit om tegenover die ander je schuld te erkennen en excuus te vragen voor je lompigheid, hoor je opeens zijn “vrede zij u”.  Soms komt het zo onverwacht dat je het haast niet kunt geloven. Dat je meent een geest te zien. Maar een geest is ongenaakbaar, heeft geen hart en mond. Hij is het echt: dezelfde als toen. Hij leeft en komt aan het licht. In het breken van het brood; in het teken van het kruis; in de gang van de geschiedenis; overal is Hij waarachtig en levend aanwezig. Verrezen volgens de Schriften.

Het heeft de leerlingen moeite gekost om dat te zien en ervan te getuigen. Het kost ons ook moeite. Christus opnieuw weer kruisigen gaat ons heel gemakkelijk af. Maar Hem laten opstaan, het nieuwe leven een kans geven, daarin schieten we als mensheid massaal tekort. Dat is eigenlijk onze zondigheid waaruit we ons moeten bekeren. De eerste lezing van vandaag nodigt ons daartoe nadrukkelijk uit.

Want bekering en opstanding hangen heel nauw samen. Bekering in bijbelse zin wel te verstaan. Die is heel ingrijpend, omdat het heel je wezen raakt. Sta ik open voor Gods Woord of blijf ik steken in mijn eigen mening en inzichten? Bekering volgens de Schriften wil zeggen dat ik God binnen laat in mijn wereld. Dat heel mijn gedrag wordt bepaald en ‘gedragen’  door zijn woorden en leefregels. Bekering volgens de Schriften wil zeggen, dat we onze koers richten naar de wegwijzer die in ons midden staat: Jezus van Nazareth en zijn Geest.

Mensen onderweg van Jerusalem naar Emmaus. Mensen die Hem herkennen, omdat ze met elkaar breken en delen. Mensen die Hem verstaan, omdat ze ook elkaar verstaan. Mensen die opstanding tastbaar maken, omdat ze niet bij de pakken neer gaan zitten. Want geloven in opstanding is een opstandig geloof. D.w.z. dat je gelooft in het leven. Dat je daarvoor wilt vechten en je eigen leven geven. Dan staat Hij midden tussen je in en ervaar je zijn vrede. Je komt weg uit het graf van je eigen zondigheid. Je komt tot werkelijk leven: verrezen volgens de Schriften.

Pastor Th.Bruens

Verheugt U.

Morgen is het Zondag “Laetare” de vierde zondag in de veertigdagentijd, de periode van bezinning en toeleven naar Goede Vrijdag en Pasen.  ‘Laetare’ betekent “verheugt  u”, Het is nl. niet zo duister of het wordt wel weer licht. Dit gold zeker voor  het Joodse volk dat was weggevoerd door de nieuwe machthebbers naar Babylon zoals we in de eerste lezing hebben gelezen. Ze mochten, zij het na 70 jaar, terugkeren naar Jeruzalem.  Ontrouw waren ze geweest. En hoe vaak hadden ze dat niet te horen gekregen en hadden ze er niet op gereageerd?

De auteur van Kronieken geeft de geschiedenis van Israël weer. God wordt weergegeven als iemand die voortdurend ingrijpt om de wereldmachten te beteugelen en voor vrede in Israël te zorgen.

Trouw aan God brengt zegen, en ontrouw roept vergelding op. Door berouw te tonen en terug te keren naar God kan het aangekondigde onheil worden afgewend. Die boodschap houden de profeten in Kronieken de lezer uit de tijd na de Babylonische ballingschap regelmatig voor: de toekomst ligt niet vast, Israël heeft in elke crisis de kans om vóór God te kiezen en zo aan de ondergang te ontkomen.

Wij kunnen ook steeds berouw tonen voor onze tekortkomingen. Dit doen wij in het begin van iedere viering in de schuldbelijdenis. Buitenstaanders vinden dat vaak wel erg gemakkelijk. Zo kom je er eenvoudig van af en kun je daarna weer gewoon je gang gaan. Een ander heeft moeite met de schuldbelijdenis, omdat ie vindt niks verkeerd gedaan te hebben. Maar wie bepaalt dat? En is diegene dan volmaakt? Laat hij of zij ook niet af en toe een steekje vallen of blijft in gebreke? Is er sprake van trots, gemakzucht of eigenbelang?

Uit het verhaal uit Kronieken spreekt een bepaald Godsbeeld. Een God die meeleeft, geduld heeft, maar ingrijpt als er niet aan zijn regels wordt voldaan.

Ik was laatst op bezoek bij een oudere parochiaan. Toen ik uit de lift stapte, stond hij me al bij de deur op te wachten. Hij had mijn bezoek en ons gesprek goed voorbereid, leek me. Al vrij in het begin van ons gesprek zei hij: je moet doelen hebben in je leven. Wat is uw doel? Ik was een beetje overvallen door deze directe vraag zo aan het begin van ons gesprek. Ik zei schromend: “ik probeer iets goeds te doen voor een ander en niet alleen aan mezelf te denken”. Waarop hij zei: “ik ben door God geschapen en mag deze aarde bewonen, waarvoor wij goed moeten zorgen.”  Na de dood van zijn vrouw enkele jaren geleden hadden zijn kinderen hem aangeraden zijn levensverhaal op papier te zetten. Zo had hij weer een doel voor ogen. Zijn levensverhaal eindigde met de dood van zijn vrouw. Nu was hij van plan om zijn spirituele gedachten op papier te zetten. Het is niet zo eenvoudig, om onder woorden te brengen wat en waarin je gelooft. En dan ook nog zo te verwoorden dat een ander er iets aan heeft.  Of zoals Peter Nissen zegt in het tijdschrift Speling: “Onze menselijke taal schiet tekort om iets over God te zeggen en daarom ligt het voor de hand om terughoudend te zijn in het spreken over God.”

De oudere parochiaan bij wie ik op bezoek was,  gelooft niet in een God die aan het eind van zijn leven hem beoordeelt, zo van: dat heb je fout gedaan en dat heb je fout gedaan. Hij gelooft erin dat hij er mag zijn zoals hij is. Geloof is een gevoel, zei hij.

Ik denk ook aan de vrouw van de Gouden Medaille winnaar op de 10 kilometer schaatsen bij de Olympische Spelen, Ted Bloemen. Ze huilde, toen hij won, maar dat had een andere oorzaak. Ze had net een appje gekregen van een vriendin die net haar baby had verloren en ze zou nooit meer moeder kunnen worden. Ze was meteen naar een tempel gegaan. Ze zei: “ik geloof niet in God”, maar ik zat daar en bad voor de baby. Ik weet niet eens bij welke God de tempel hoort. Maar het was alles wat ik kon doen.”

De evangelist Johannes geeft een gesprek weer van Jezus met Nikodemus, een van de Joodse leiders. “de Mensenzoon moet omhoog worden geheven”. Hiermee verwijst Jezus naar Zijn verheffing aan het kruis. Maar zoals het opzien naar de koperen slang van Mozes genezing en leven betekende, zo is het geloof in de gekruisigde Jezus een bron van “eeuwig leven”.  Hij is door de Vader gezonden om licht en leven aan de wereld te brengen. Zijn komst stelde mensen voor een keus. Tegenover elkaar staan hier: “slecht handelen”, dat is afschuw van het licht en “de waarheid doen” of gaan naar het licht. Dat is een verschil van dag en nacht. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om erover te oordelen, maar om de wereld te redden.

Jezus verrichtte wonderen, hij genas zieken en melaatsen, liet blinden weer zien. Dat doet me denken aan die blinde meneer Jeroen Perk. Hij beschrijft het als een bijna religieuze ervaring, toen hij na een zware operatie van bijna vier uur en daarna nog eens twee weken verplicht wachten eindelijk weer heel iets kon “zien”. Dit dankzij een peperdure geavanceerde chip die op zijn netvlies werd geplaatst. Zestig pixels, daar moet Perk het mee doen. En toch is het een wereld van verschil.

Het is Jezus er echter niet om te doen de fysieke gesteldheid van de zieken te verbeteren. Hen het zicht terug te geven. Hij wilde ze tot het inzicht laten komen dat ze hem moesten volgen en zo de waarheid te doen.

In deze vastenperiode kunnen we tijd en ruimte maken voor inkeer en proberen te herstellen wat fout is gegaan. We worden opgeroepen om te kiezen voor het licht, voor het goede dat van God komt. Als we die keuze maken, dan zijn we er voor elkaar wanneer we elkaar nodig hebben. Dan is er verdraagzaamheid, aandacht en medeleven.  Dan zijn we als volgelingen van Jezus gericht op waarheid en licht. Moge dat zo zijn

A.Platvoet

 

Raphaël-Exoduskerk     Derde zondag  van de 40-dagentijd

 

EEN HART VOOR ZAMBIA

Exodus 20,1-17 & Joh.2,13-25

Toen ik als kind uit onze oude catechismus de Tien Geboden uit mijn hoofd leerde, wist ik niets van de inleidende  woorden: ‘Ik ben de Heer uw God die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.’ Die waren weggelaten. Maar je zou ze kunnen horen als de toonzetting voor alles wat volgt.  Dan gaan de Tien Geboden of de Tien Woorden anders klinken.

‘Ik heb jullie weggeleid uit een slavenhuis …dus… je zult je je ervoor hoeden om zelf geen slaaf te worden of anderen tot slaaf te maken. Daarom zal je niet uit hebzucht frauderen of anderen dood bombarderen. Daarom heb je respect voor je ouders, daarom kies je tegen burn-out en neem je  rust je opdat God je zal vinden. Daarom veroordeel je seksuele uitbuiting en weet je te genieten van je lichaam.’ Alle tien geboden, je kunt ze verstaan als aanmoedigingen om een vrij  en bevrijd mens te mogen worden. Nooit meer slaaf.

Dreef Jezus daarom ook  kort voor het joodse paasfeest alle handelaars en geldwisselaars de tempel uit ? Hij zag een tempel veranderen in  een markthal. Maar op heilige grond past geen handel  in offerdieren, runderen en schapen, gaat het niet  niet om commercie of willen verdienen aan pelgrims. Ook niet om als kooplieden met God te onderhandelen over het leven.

‘O, God, ik beloof u: ik zal vasten en bidden, aalmoezen geven, maar ik reken erop dat U mij ook iets teruggeeft.  Een lang leven als het kan. Voor wat hoort wat.’

Ja, waar wil God  eigenlijk wonen ? In welke tempel ?

Ik zal in mijn huis niet wonen, – zo zingen we hier soms  in een lied van Huub Oosterhuis – ik zal mijn ogen niet dicht doen, ik zal niet rusten geen ogenblik, ik mag versmachten van dorst, tot ik gevonden heb: een plek waar de doden leven , een plaats waar recht wordt gedaan aan de verworpenen der aarde.’

Naar  een van die plaatsen neemt de Vastenactie ons  dit jaar mee in onze Veertigdagentijd. Naar Zambia, dat Afrikaanse land, omringd door Tanzania, Mozambique en andere landen, naar  Mbala, een arme stad met grote sloppenwijken waar de zusters van het Heilig Hart van Jezus en Maria mensen helpen die getroffen zijn door de aidsepidemie  of die  in diepe armoede moeten leven. Daarom laten ze kinderen  leven  in  weeshuizen en trainen ze mensen voor begeleiding.  Zeker, het is waar: de republiek Zambia is een land in ontwikkeling, maar toch  leeft meer dan de helft van de bevolking onder de armoedegrens.

Naar deze verworpenen van de aarde gingen en gaan nog steeds deze zusters op verschillende continenten. Hun motto is nog  : “Gaan waar niemand gaat, doen wat  niemand doet”. Ooit zo verwoord  in het  midden van de negentiende eeuw door hun Franse stichter en priester Victor Braun. Maar gelukkig is dit ook  het motto van zeer vele  hulpverleners geworden, christen of niet, moslim of niet, jood of niet. Overal kun je mensen tegenkomen die opkomen voor de waardigheid van mensen.

Maar deze zusters en velen die hun spoor volgen, vinden  in  Jezus en zijn moeder Maria hun bezielende inspiratie. Zij zoeken Jezus  niet onder de machtigen van deze aarde, want hij is de broeder van de armen, de kleinen, de uitgestotenen. Zijn zoeken hem niet in de glinstering van de rijkdom, want hij is te vinden waar mensen lijden aan ziektes, eenzaamheid , angst voor de dag van morgen. Zijn zoeken hem niet in de wereld van de concurrentie en competitie, maar waar mensen vechten voor hun waardigheid , voor verzoening en vrede.

Want zij kennen het Schriftwoord van Jezus bij Matteüs: ‘Leer van  Mij want ik ben zachtmoedig en eenvoudig van hart.’  En hun antwoord was dan steeds: ‘O Heer Jezus, maak mijn hart als dat van U.’ Dat is bidden om verandering van hun hart.

Jammer genoeg verbinden mensen het woord ‘zachtmoedig’  gemakkelijk met soft en ouderwets. Maar dat is een groot misverstand. In het origineel Grieks betekent het juist het zalven met olie dat de pijn wegneemt van de wond en dat infectie doet voorkomen. Zo is het een symbool voor het temmen van wilde dieren. En zo verwijst het woord ‘zachtmoedig’  ook  naar mensen die naar gevaarlijke situaties durven gaan en chaos trotseren. Zij combineren  moed en vaardigheid en staan aidspatiënten bij. Zij overwinnen  hun vrees en blijven gaan waar niemand gaat en blijven doen wat niemand doet.

Zo zag ik kortgeleden op tv de zeventienjarige middelbare scholiere Emma Gonzalez uit Florida opstaan voor haar overleden en getraumatiseerde leeftijdsgenoten. Na de dodelijke schietpartij op haar school hield zij  een emotionele toespraak  tijdens een antivuurwapenprotest. “Tegen  elke politicus die donaties aanneemt van de Nationale Vuurwapen Associatie,  roep ik : ‘Schaam je!’”  Zij wil haar hart richten op vrede en niet op geweld. Ze wil  een  Peace Maker zijn  zoals zovelen.

Mogen wij dat ook zijn in deze Veertigdagentijd. Om de pijn te verlichten van de verworpenen van deze  aarde in Zambia. Mogen onze donaties voor hen  royaal, koninklijk zijn. Een geven om niet.  Uit een groot hart.  Moge dat zo zijn.

J.Nibbelke, pr

Jubileumviering     Drienerkoor    17-02-2018

VERBONDENHEID  VIEREN

        Gen. 9:8-15 en Marcus 1,9-15

   

Wat mooi ! Hoe vaak hoorde ik dat  zeggen na afloop van een viering. Een koor zo zuiver. Ooit begonnen met een groep meisjes onder leiding van  pastoor  Adriaan de Meij en tot op vandaag  begeleid door pastor Theo  Bruens. En met de onvergetelijke Bernard Lenferink  jarenlang op de orgelbank.

Schoonheid kwam er in de vieringen, vreugde bij het samen zingen, verbondenheid met elkaar. Als het koor inzet  Alles wat adem heeft love de Heer en wij kerkgangers dat herhalen, zingt het in mij en voel ik me gedragen.

Jullie zongen een schat aan  liederen, motetten, Christmas Carols. Heel het kerkelijk jaar door. Ter ere van Hem die voor ons Onnoembaar blijft, de Enige. Alsof jullie  het psalmvers  ‘Voor de Heer wil ik zingen zolang ik leef, een lied voor mijn God zolang ik besta’  alsof je dit vers als  een armband bij je draagt of als een band om je hoofd. Altijd blijven zingen, dat deden  jullie en doen jullie ook vandaag weer  in het eerste weekend van de Veertigdagentijd. Om ons te openen voor verhalenvertellers van twee verhalen  uit het verre verleden.

Het waren zondige tijden, doodzondige tijden. De mensen deden maar en God keek met tranen in de ogen  naar de aarde. Hij had er spijt van dat hij de mens had gemaakt. Alleen Noach ‘wandelde’ nog  met God. Met zijn gezin. En daarom moest hij een ark bouwen, een grote kist, een waterboot.   ‘Ga je varen ?’ reageerde zijn omgeving schamper. Toen hij  klaar was, bracht hij de dieren in de ark, twee aan twee en ging tenslotte ook zelf  met zijn gezin aan boord. En het water kwam bij het schip. Veertig dagen en veertig nachten  teisterden slagregens de aarde en gingen de sluizen van de hemel open.  Mensen en dieren kwamen om.

Zoals zo vaak nog tot in onze dagen. Watersnood 53, orkanen, tsunami’s. Maar God zou toch…nooit meer…Wij hoorden in het oeroude verhaal van zo juist over een  nieuw begin.  Sterker over een nieuwe afspraak, over hoe Hij, God,  als de meest betrouwbare kracht, als een God groter dan ons hart  zich aan mensen wilde verbinden, altijd weer door.  Ik weet het : mensen van nu en alle tijden vinden dat  misschien wel ‘mooi gesproken’, maar geloven daar geen zier van.

Ik zie een oude man uit Zeeland voor me: een overlevende van die fatale nacht in 53, toen hij zijn familie verloor.  Maar hij kon onlangs toch nog  iets zeggen over die God van het  nieuwe Verbond : ‘Ik bleef op Hem vertrouwen. Ik voelde troost. Ik werd gedragen door de gemeenschap.’ Ontroerend zoals hij daar stond  op  de dijk van een nu veilige  kust. En voor hem  hoefde de Schepper zijn huiswerk niet over te doen –   bij ‘wieze van sprekken’  zou collega  Anne van der Meiden zeggen – want wij zijn het die onze planeet kunnen  redden of vernietigen.

Na het mooie  koraal van Bach hoorden we opnieuw  een kort verhaal.

Marcus vertelt over stemmen in de woestijn. De eerste keer was het  aan de rand ervan  in het water van de  Jordaan. Daar hoorde Jezus wat iedere mens graag zou willen horen: ‘Jij bent mijn  liefste. Jij bent uniek. Ik sta helemaal achter je.’  Er staat niet dat iemand anders het hoorde. Nee, en dan vraag je je af : kwam het dan uit de diepte van zijn ziel, een innerlijke Stem van elders  die alleen hij  kon horen ? Was het zijn persoonlijke en goddelijke  ervaring  die Marcus  beschrijft aan het begin van de weg die Jezus zal gaan ?

Wij willen soms meer weten dan goed is. De hemel scheurt open en een duif als vogel van vrede daalt als geestkracht op Jezus neer op het moment dat  hij gedoopt wordt in de rivier. Mooie beelden, maar gelukkig: het mysterie blijft. Geen wonder dat door de eeuwen heen zo vaak gezongen is O bone Jesu.

O goede Jezus, zo wil ik  vanavond ook  tot U bidden,  geef dat iedereen in haar of zijn leven zal horen: ‘ Jij bent mijn liefste. Ik draag je. Je bent als niemand anders.’  Zonder voorwaarden. Zoals ouders dat kunnen of vrienden voor het leven. En  zoals  Jezus dat kon  in zijn ontmoetingen onderweg. ‘Jij, jij, jij telt mee. Ik ben blij met jou, wie je ook bent of waar ook geboren.’  Dat  was de kern van zijn boodschap van Gods wege.

Marcus is ook realist. Hij weet hoe het kwaad tiert. Die  andere Stem in de woestijn  is er ook.. Tegen wat mensen verbindt en heel maakt. ‘Schiet ze neer op het schoolplein, zaai onrust en zet groepen op tegenover elkaar.’  Die Stem is van de Satan, de Splijter, de Omvergooier, Het Kwaad.  Hij dwaalt rond in woestijnen en vult de leegte in zielen  van mensen. Daar is hij op zijn best, de Tegenstrever van Licht en Verbondenheid.  Ook Jezus kan hem niet passeren. Hij wordt beproefd,  veertig dagen lang. En wij ? Kiezen we de weg van Jezus ? Pelgrimeren we voor het Nieuwe Leven dat met Pasen doorbreekt ?  Voor verbondenheid en liefde ?  Tegen het kwaad ?  Nemen we even tijd voor bezinning.

S T I L T E

Het koor zingt zo dadelijk Heer Jezus heeft een hofken waar schoon bloemen staan. Beproeving – is mijn overtuiging  – is niet het einde. Dat hoor ik in dit oude lied.  De tuin van het paradijs, blijft bloeien, de steppe ook.  Welke mooie bloem zou ik dan willen plukken ? Een vraag om vast te houden.  En stemmen we in met woorden uit het derde couplet: Maak van mijn hert uw hoveken, het is bereid.

Moge dat zo zijn.

J.Nibbelke, pr

 

 

 

6e zondag door het jaar:

 DOOR MEDELIJDEN BEWOGEN

Misschien hebt u ook vorige week zaterdag dit krantenbericht  gelezen? “Marius Hardeman uit Lemelerveld redde vrijdagmorgen het leven van een vrouw.” Deze vrouw was nl. met haar busje in een vijver terecht gekomen. Er stonden wel twee of drie mensen bij te kijken, maar ze wisten niet wat ze moesten doen. “Ja, er zit nog iemand in” schreeuwden ze. Marius aarzelde geen moment, trok zijn schoenen en jas uit, plonsde in het ijskoude water en zwom naar het busje 15 meter verderop. Hij vertelde later: “Ik zag de hulpeloosheid en de doodsangst in haar ogen. Die angst in haar ogen kwam bij mij binnen.” Letterlijk en figuurlijk stak Marius zijn hand uit. En toen, na eindeloos zwoegen en proberen kon hij eindelijk de ruit van het busje inslaan. De vrouw kon zelf nog met Marius naar de kant zwemmen, beiden onderkoeld, dat wel, maar ze hebben het gered.

Dit krantenbericht kwam bij mij boven toen ik in het evangelie las: “Door medelijden bewogen strekte Jezus zijn hand uit, raakte de melaatse aan en sprak tot hem: “Ik wil het, word rein.”. De man was naar Jezus toegekomen. Hij leed aan melaatsheid, een vreselijke besmettelijke ziekte. Hij werd dan ook gemeden als de pest. In Jezus’ tijd werd deze ziekte ook nog gezien als een straf van God. De man was er dus náár aan toe. Volgens de Joodse wet werd hij als onrein beschouwd. In de eerste lezing van vanavond hoorden we al, dat zulke  mensen in gescheurde kleren moesten rondlopen, met losse haren en bedekte baard. Ze moesten buiten de stad wonen en waagden ze zich toch in de stad, dan moesten ze roepen: “Onrein, onrein”. Iedereen wist dan, dat ze uit hun buurt moesten blijven.

In dit verhaal overschrijdt de melaatse man grenzen, want hij gaat toch naar Jezus toe. In plaats van te roepen “Onrein, onrein” roept hij nu: “Als u wilt, kunt u mij genezen, mij gezond maken”. Wellicht was het voor hem wel moeilijk deze stap te zetten. Zou Jezus naar hem willen luisteren, of zou Hij misschien kwaad worden?

Maar Jezus had ook in de ogen van de man zijn ellende, zijn hulpeloosheid en eenzaamheid gezien. Het bracht bij Hem emoties los. Jezus was diep geraakt, bewogen door medelijden “tot in zijn ingewanden”,  staat er letterlijk in de originele tekst. Maar zou Jezus toch eerst nog getwijfeld hebben? Tenslotte was het iets dat Hij niet mocht doen volgens de Joodse wet: een onrein iemand aanraken, en dus zelf ook onrein worden. Maar nee, ook Jezus overschrijdt grenzen. Hij strekt zijn hand uit en raakt de besmettelijke zieke aan. Deze mens heeft immers hulp nodig. “Ik moet hem erbij trekken. Ik wil, word rein”. De man geneest. Hij maakt een nieuwe start. Er vindt een ommekeer plaats in zijn leven, zijn isolement is doorbroken en hij kan weer opgenomen worden in de gemeenschap.

Daarna gebeurt er nog van alles in het verhaal. Maar ik blijf even bij wat voor mij de kern is.

Er klinkt een ontzettend mededogen door in dit verhaal. Je hand uitsteken naar een kwetsbare mens, dat is wat Jezus deed, wat Marius deed en wat gelukkig veel mensen doen. Mededogen: gewoon bij de ander gaan staan. Ook in onze tijd kennen we de zogenaamde moderne melaatsen, die in de maatschappij vaak niet meetellen. Ze hebben alleen een nieuwe naam. Ze heten nu: vluchtelingen en asielzoekers, vrijgelaten gevangenen, doodarme mensen, gehandicapte mensen. Ook zieken kunnen geïsoleerd raken, zeker als ze een levensbedreigende ziekte hebben.

De vraag is of wij ook een hand uitsteken naar deze mensen, zodat zij voelen, dat ze er ondanks alles bij horen: al is het maar door een bezoekje te brengen aan een zieke in het ziekenhuis of verpleeghuis of aan een eenzame mens die aan huis gekluisterd is of door het kopen van de herbergkrant van de buitenlandse vrouw in het winkelcentrum.

Mensen horen bij elkaar. Grenzen tussen mensen, grenzen binnen families, botsing tussen culturen, het is niet goed. Ieder mens, groot of klein, ziek of gezond, Nederlander of buitenlander, laat iets zien van God. Geschapen zijn we toch naar Gods beeld en gelijkenis. En … bij God mogen we zijn wie we zijn. Dat is iets wat wij op onze beurt ook mogen uitstralen naar anderen: jij mag er zijn,  jij bent belangrijk. Dan vallen grenzen weg. We mogen daarbij  vertrouwen op God die zijn onzichtbare  Hand naar ons allemaal uitstrekt. Amen.

G.Gosen, pw

 

“Wondermiddel”

“Wondermiddel, helpt tegen alles.” Als we zo iemand vandaag-de-dag ook nog eens op konden laten draven. De kerken zouden uitpuilen. Succes verzekerd. Maar zo simpel liggen de zaken niet. Via dit kleine stukje Schrift, komen we terecht bij de “waarom”- vragen van het leven. Ziekte, lijden en dood, zijn niet weg te bannen uit het leven. Je kunt ze niet ontlopen. En dus komt de vraag: hoe ga je er mee om ?

Voor Jezus staan deze zaken ook centraal in zijn handelen. Hij verkondigt niet alleen de blijde boodschap van het Godsrijk. Hij gaat ook aan de slag om dat rijk metterdaad gestalte te geven. Hij gaat naar zieke en lijdende mensen toe, komt hen nabij, raakt hen aan en doet hen opstaan. Hij bevrijdt hen van de lasten die hen onderdrukken; die hen beperken in hun mens-zijn.

Eenmaal genezen door de heilzame aanwezigheid en nabijheid van Jezus, breekt dan de tijd aan dat de “genezen mensen” zelf aan de slag gaan. Zij treden in Jezus’ voetspoor en stellen hun leven in dienst van de medemensen. Zij willen Gods nabijheid bij mensen concreet gestalte geven. Deze opdracht, die alle christenen delen, kunnen we alleen maar tot een goed einde brengen wanneer we- zoals Jezus het zelf in zijn leven heeft voorgeleefd- regelmatig de rust en de stilte opzoeken om te bidden en de Vader te ontmoeten. Hij is het immers die ons kan sterken en inspireren met zijn Geest om in echte verbondenheid met God, mensen tegemoet te treden.

Gelukkig zijn er in het evangelieverhaal ook medemensen die meevoelen en bekommerd zijn om de zieke vrouw. Zij leven zodanig mee dat ze Jezus erover aanspreken. En dan gebeurt er in korte tijd zeer veel. Jezus neemt de vrouw bij de hand en doet haar opstaan. Een sober genezingsverhaal. Misschien is het u opgevallen dat er niet staat dat Jezus de vrouw genas. Hij deed haar opstaan. Marcus gebruikt hiervoor dezelfde term die wordt gebruikt om de verrijzenis van Jezus aan te duiden. Zoals God Jezus doet opstaan uit de doden, zo doet Jezus mensen opstaan uit lijden en pijn. Jezus’ zending betstaat niet alleen in het prediken van een blijde boodschap, Maar ook in het handen en voeten geven aan dat goede nieuws. Geen woorden, maar daden. Jezus stapt op mensen toe om hen te bevrijden van wat hen in het leven onderdrukt en pijn doet.

Het resultaat van zijn optreden is zó indrukwekkend, dat men alle zieken en lijdende. bij Hem wil brengen. Zelfs wanneer Hij zich terugtrekt om in stilte en rust te bidden, blijven de mensen Hem zoeken en achterna lopen. Het is immers altijd handig, om zo’n “tovenaar” in de buurt te hebben.

Maar helaas….zij hebben niets begrepen van Jezus’ ware identiteit. Je kunt Jezus’ optreden pas ten volle begrijpen als je met Hem zijn weg ten einde gaat. Wanneer je Hem blijft volgen, ook door lijden en dood. Jezus van Nazareth is met heel zijn wezen verbonden met God, die aan de kant van de lijdende mens staat. Hij is het vlees geworden woord van Jahweh, wiens naam betekent : “ Ik zal er zijn voor jou.”

Onmiddellijk nadat Jezus haar had doen opstaan, “bediende” de vrouw hen. Dit is een belangrijke stap in het verhaal. Mensen mogen Jezus wijzen op lijden en ellende in hun leven en in dat van anderen. Maar dan is het onze beurt. Jezus zelf moet immers verder. Zijn goede nieuws is bestemd voor alle mensen. Wij moeten zijn zending verder uitvoeren en afmaken. Door ons in te zetten voor mensen in nood. Waar ook ter wereld. Dan is zijn leven en dood niet voor niets geweest. Dan handelen we tot zijn gedachtenis, totdat Hij wederkomt. Dan hebben we een “wondermiddel dat helpt tegen alles. Moge dat onder ons zo zijn.

Th.Bruens, pw